Stemmen in de klankkast

We spreken, praten, babbelen, kletsen, discussiëren, schreeuwen, betogen, fluisteren, mompelen. De stilte van de nacht en het zwijgen van de natuur kunnen elk moment door ieder van ons worden doorbroken. Een kreet houdt ons dier, een woord opent de tijd. Ligt hier geen antwoord op de bezorgde vraag van vandaag, wat toch de samenleving nog bijeenhoudt? Een koor van stemmen.

De inhoud van verhalen doet soms minder ter zake dan dat ze worden verteld. Een verhaal – neem de kersttoespraak van koningin Beatrix – houdt ons gekluisterd aan radio of televisie, gebogen over de krant, met de vingers aan het toetsenbord. Het verbindt ons zo met de spreker en met de duizenden, honderdduizenden die deel uitmaken van hetzelfde publiek; het nodigt uit om te worden gevolgd door een nieuwe, oneindige stroom van woorden, commentaren, columns, grappen. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk noemde moderne naties daarom „psycho-akoestische gemeenschappen” (Mediatijd, 1999). Miljoenen mensen met uiteenlopende, vaak tegengestelde verlangens en emoties worden bijeengehouden door verhalen, tegenverhalen en hun resonanties. De openbare ruimte als een akoestische ruimte.

Deze geweldige klankkast kan niet zonder de politiek en de journalistiek. Een simpele manier om hun verhouding te kenschetsen zou zijn: de politiek levert een stroom van verhalen, de journalist tekent ze dagelijks op. Politici spreken en handelen, journalisten doen verslag en analyseren, samen voeden ze het publiek. Zo eenvoudig is het uiteraard niet; de wederzijdse afhankelijkheid is groter. De media scheppen de openbare ruimte zonder welke politici onhoorbaar en onzichtbaar blijven en dus hun publiek moeten ontberen. Vandaar het belang van goede kranten voor het functioneren van de democratie, van onafhankelijke kranten voor het waarborgen van de vrijheid. Hoewel de bemiddelaar (het medium) zichzelf het liefst wegcijfert, is het toch ook speler.

Hoe weten we of er bij al die mediapolitieke woorden – ‘crisis’, ‘uitdaging’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘solidariteit’ – ook wordt geluisterd, gelezen, gekeken? Het bijzondere van vrije samenlevingen is dat het publiek dat zelf uitmaakt. Of het iets zijn zaak vindt, beslist het zelf. Dat laat het zich door niemand vertellen. De ‘publieke zaak’ is precies datgene waarin het publiek zichzelf ontdekt. Men ervaart iets, ziet iets, hoort iets – een gemis, een gebeurtenis, een wantoestand – en beseft: het raakt ons, er moet iets gebeuren. Daartoe kunnen mensen hun stem verheffen, demonstreren, opiniestukken inzenden, nieuwe volksvertegenwoordigers kiezen of met andere geluiden de politiek tot handeling aansporen.

Kranten werpen zich in dit spel tussen publiek en politiek soms op als de megafoon van het volk; dit zie je terug in namen als De Stem, La Voix du Nord, International Herald Tribune. Andere bladen willen de mensen onderwijzen hoe het zit; vergelijk titels als De Waarheid, De Standaard of Die Welt. Deze mediaspanning tussen het vangen en het aanjagen van het gesprek van de dag blijft.

De politiek wordt geacht, in respons op de publieke vraag of op eigen initiatief, op het toneel handelingen te verrichten die kunnen boeien. Dat is de kunst van de politiek. De term roept in dit verband soms misverstanden op: hoezo kunst? Verhelderend is een onderscheid van filosofe Hannah Arendt uit het opstel ‘What is freedom?’ (1961). Politiek is volgens haar géén kunst in de zin van de ‘staat als kunstwerk’, van een in een afgesloten werkplaats tot stand gebracht collectief beeldhouwwerk. Politiek is wel kunst in de zin van een opvoering voor een publiek, zoals in toneel of muziek, een opvoering die haar kracht vindt in het moment. Daarom hebben politieke instituties altijd sprekende en handelende mensen nodig om voort te kunnen bestaan in de tijd.

Een democratie is een woordgemeenschap, met stemmen en tegenstemmen, luidsprekers en dempers, meerderheden en overstemden, grondtonen en dissonanten. In het mechaniek van deze grote klankkast is ook dit hoekje – tweewekelijkse politiekecolumn op de opiniepagina van’s lands gezaghebbendste krant – een radertje. Zoals vorige week is aangekondigd (NRC Handelsblad, 23 dec. jl.), is dit echter mijn laatste stuk op deze plaats. Het nieuwe jaar brengt mij een functie in de Europese politiek die zich slecht verdraagt met de rol van onafhankelijk commentator. Als speechschrijver en adviseur van de voorzitter van de Europese Raad van regeringsleiders hoop ik de publieke zaak op andere wijze te dienen. Voorlopig minder met eigen stem – dat is een prijs die ik met spijt betaal – maar wel in een grotere akoestische ruimte; op een plaats bovendien die naar mijn overtuiging klare woorden hard nodig heeft. Er zijn, platter gezegd, kansen die je niet mag laten lopen.

Graag dank ik bij wijze van afscheid de hoofdredactie voor de geboden gastvrijheid. Het was een eer en een plezier. Veel dank aan de opinieredactie voor de zorg en het enthousiasme waarop de stukken konden rekenen. Dank ook aan J.L. Heldring: op de kleine klankkast van deze pagina was hij ook voor mij de onmisbare basso continuo; helaas vertrek ik nu alweer zo snel dat ik hem als columnist nog geen ‘collega’ heb durven noemen... Dank, ten slotte, aan de lezers: ik kan alleen hopen dat sommige van de hier geschreven woorden in hun hoofd naklonken, deden knarsen, tegenspraak uitlokten.

Een democratische samenleving blijft bijeen omdat en zolang op elk woord een weerwoord kan volgen. Dus liever geen slotwoord.

Dit is de laatste column van Luuk van Middelaar. Per 1 januari 2010 treedt hij toe tot het kabinet van de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy.Morgen verschijnt op de pagina Economie een stuk van Van Middelaar over Europa en de euro.

Wilt u reageren? Dat kan nog steeds op nrc.nl/middelaar

    • Luuk van Middelaar