Ook in Brunssum kunnen de granaten neerkomen

Ivo van der Weele was gelegerd in Uruzgan. Hij werd gerepatrieerd na een aanval door de Talibaan. „Vijf nachten achter elkaar deed ik geen oog dicht. Dan word je dus gek.”

Een e-mail van een soldaat, 15 oktober 2009. Het gaat over één zinnetje, uit een boek over Uruzganveteranen. Daarin wordt verteld hoe iemand een militair moest „platspuiten” toen die zijn zenuwen niet in bedwang kon houden. Dat gebeurde op voorpost Poentjak in Uruzgan, eind 2006.

De soldaat was erbij. „Hij brak, op Poentjak, in mijn armen en ik ben vooralsnog de enige met wie hij herinneringen ophaalt.”

Hij besluit zijn e-mail met een verzoek: praat met de militair. Want: „Het gaat om vrede vinden met jezelf en te leven in plaats van te overleven.”

Later stuurt hij het telefoonnummer van Ivo van der Weele, want over hem gaat het.

Een maand later doet Van der Weele de deur open van zijn rijtjeshuis in Brunssum. Boven klinkt het gehuil van een klein kind.

Ivo van der Weele (26) neemt plaats met zijn gezicht naar een groot tropisch aquarium, ingemetseld in een binnenmuur. Er zwemmen drie of vier vissen. Ze sterven steeds, zegt hij.

„Het klopt niet dat ik ben platgespoten”, zegt hij dan. „Ik moest de medicijnen zelf inbrengen op Poentjak.” Valium, voor rectaal gebruik. Zijn collega’s hebben daar ‘platspuiten’ van gemaakt. Klinkt stoerder.

Hoe dan ook, de valium was nodig, zegt hij. „Ik kon niet slapen door de angst voor raketten en mortiergranaten van de Talibaan. Vijf nachten achter elkaar deed ik geen oog dicht. Dan word je dus gek.” Dat was halverwege december 2006.

Wat ging daaraan vooraf? Hij wil het graag uitleggen, maar dan moet hij eerst iets van zolder halen.

Hij komt terug met een verkreukelde pastic tas van de Jumbo. Het is een boek met een dikke groene kaft van de Amerikaanse thrillerschrijver Allan Folsom. Een granaatscherf heeft het boek tussen pagina 5 en 498 doorkliefd. Het brokstuk baande zich een weg door woorden en zinnen, om midden in De dag van bekentenis tot stilstand te komen.

Het boek had hij even neergelegd, op de plek waar tien seconden eerder zijn hoofd lag, op een veldbed in zijn tent. Zijn slaapzak werd geperforeerd met raketscherven.

Van der Weele was net een paar seconden weg, gealarmeerd door het fluiten van een 107-mm raket. „Ik was nog niet buiten of de raket viel neer. Hij klapte uiteen op een afstand van drie meter”, schreef Van der Weele een dag later in zijn dagboek, dat hij enkele dagen na het interview per e-mail opstuurt. Daarin schrijft hij ook: „Ik was gewoon verstijfd van schrik en angst.” Een collega moest hem meetrekken naar de bunker, een paar meter verderop.

Toen kwam de derde raket. Opnieuw het suizende fluiten, niet weten waar het projectiel dit keer zou inslaan. Op de bunker? Bij de ingang? Op de brandstoftanks? Of toch weer bij de tenten? Dit keer werd de metersdikke muur geraakt die Poentjak omsloot. „Ik zag de vloeibare stukken metaal ervan af spatten.”

De muur, gemaakt van keien in een stalen raster, bood weerstand. De constructie wist ook de scherven van een vierde raket te weren toen deze op twee meter afstand van hem ontplofte. „Ik had het idee dat ik dood was. Er was niks. Alleen maar stilte na de knal en stof om me heen”, noteerde hij in zijn dagboek. Samen met twintig andere militairen begaf hij zich naar de bunker, die niet groter was dan een paar vierkante meter. Ze zagen hoe een tent vlam vatte. Niemand die het kon blussen. De dekking kon niet worden verlaten. Er waren een paar lichtgewonden; een militair had een bomscherf in zijn kont. Twee uur lagen ze daar, wachtend op raketten die niet meer zouden komen.

Van der Weele onderbreekt het gesprek nu voor de vijfde keer. Telkens als hij dat doet schuift hij de stoel naar achter, komt terug met een glas water, om er nauwelijks van te drinken. Hij probeert een sigaret te draaien. Tabak glipt van het vloei op de vloer. „Nu ik erover praat, voel ik precies die angst opkomen”, zegt hij. „Nergens ben ik veilig. Altijd kan er een raket vallen. Ook hier, nu, in Brunssum.”

Dáárom, zegt hij, kon hij toen niet slapen. „Die week heb ik uitgezeten.” Terug op Kamp Holland schreef hij in zijn dagboek: „Ik heb erna ook niet meer geslapen. Denk niet dat ik er nog heen durf. Ik vind dat mijn leven meer waard is dan te sterven in dit land. Het enige dat ik nu nog wil, is naar huis en mijn moeder geruststellen dat ze zich geen zorgen meer hoeft te maken. Ik wil thuiskomen, trouwen met mijn verloofde, en de rest van ons leven gelukkig zijn. Maar nu ben ik mentaal kapot. Angst blijft maar door mijn hoofd malen, en er is geen stoppen aan.”

Politici kunnen een missie beëindigen, voor militairen stopt die nooit. „Als ik opsta, denk ik aan Uruzgan. Dat gaat al een paar jaar zo.” Vreemd is dat niet, stelt bioloog Frans de Waal in Een tijd voor empathie. Wat de natuur ons leert over een betere samenleving. Hierin schrijft hij dat een killerinstinct bij de meeste mannen niet bestaat. Doden van mensen is abnormaal en daarom valt het militairen zo zwaar. „Oorlogsvoering zit psychologisch complex in elkaar en lijkt eerder een product van een hiërarchisch stelsel en het opvolgen van bevelen dan van agressie en gebrek aan mededogen.”

Wie zich onttrekt aan deze hiërarchie, valt al snel in ongenade. Misschien daarom dat zijn peloton kwaad op hem werd. „Ze snapten het niet”, zegt de oud-militair. „Ik stond daar met het gevoel dat ik faalde, maar kreeg geen enkel begrip. Ze kotsten me nog liever uit dan dat ze me een schouderklopje gaven. Het is de groepsdruk, de machocultuur: jezelf omhoog trekken over de rug van een ander.”

Begin januari 2007 stond hij bij de landingsbaan van het kamp, wachtend op de Hercules naar huis. Hij werd gerepatrieerd. Zijn peloton kwam hem niet uitzwaaien. „Ze waren te druk, zeiden ze. Voor hen ging leven door.” Alleen de soldaat die de e-mail stuurde stond er.

Ook afwezig, bij aankomst in Nederland, was de afdeling nazorg. „Ze wisten dat ik eerder terugkwam, ze wisten ook waarom. Al op Kamp Holland was beloofd dat er iemand klaar stond van Defensie. Niet dus. Na een kwartier ben ik maar naar huis gereden.”

Een dag later meldde de administrateur van het peloton in Nederland zich. „Dat ze mij maandag weer verwachten op de kazerne. Niemand vroeg hoe met me ging. Over wat er in Uruzgan was gebeurd werd nooit gepraat.” Hij deed een oefeningetje, volgde een lesje, ging wat sporten. Thuis ging het niet. „Drank was mijn dagelijkse stukje rust. Dan was ik stiekem blij en opgelucht.” Als zijn vrouw er iets over zei, laaide de ruzie op. Hij sloeg op de muren, schoot uit zijn slof, dronk een kratje per week, belandde bij de Defensiepsycholoog in Eindhoven. „Ze was erg jong. Ik praatte, maar ik voelde dat ze niet het besef had wat ik had meegemaakt. Na één of twee keer ben ik ermee gestopt. Met de psychologe op Kamp Holland kon ik wel goed praten. Zij zag jongens terugkomen van patrouille, zij begreep het.”

Hij nam ontslag, ging werken als treinmachinist. Na een jaar nam de angst iets af. Hij stopte met drinken. „Anders eindig ik in de goot, dacht ik toen.”

Dan staat zijn zoontje naast de tafel. „Papa moet nu even rustig praten”, fluistert zijn moeder. Ze gaan naar oma. „De kleine daar”, zegt hij, „zorgt ervoor dat ik dóór ga.”

Oma – ze heet Marian van der Weele – zegt drie weken later: „Ivo is niet meer de Ivo van vóór Afghanistan. Mijn zoon schiet vlugger uit zijn slof, is agressiever. Dadelijk is het Oud en Nieuw. Het geknal zal hem opnieuw bang maken.”

Het gesprek met deze krant heeft veel bij hem losgemaakt, zegt ze. „Voor het eerst praat hij erover. Ook met mij.” En dat lucht op, zegt Van der Weele zelf. Hij wil tot slot nog iets kwijt over Uruzgan. „Wij gingen op uitzending met het idee dat die lui in de bergen roestige kalasjnikovs hadden met kromme lopen. Maar de granaten kwamen niet uit de Koude Oorlog, maar uit Zwitserland. Net als de landmijnen van kunststof uit Italië. Defensie heeft Uruzgan onderschat. Vlak voordat ik naar Poentjak ging, kregen we een briefing. Wat is de kans op mortiergranaten, vroeg iemand. ‘Nihil’, zei de leiding.” Uit zijn dagboek blijkt wel anders. Op 1 december „brak de hel los”, schrijft hij. Om 21:45 werden de militairen op Poentjak beschoten door mannen met kalasjnikovs. „Vlak daarna kwamen er 16 mortiergranaten op ons af. Ze vielen binnen een straal van 30 tot 150 meter.”

Als boordschutter moest Ivo van der Weele de mannen uitschakelen. Na vijf mortierinslagen rende hij in het donker naar de geschutstoren van zijn pantserwagen. Zijn dagboek: „We kregen het commando ‘vuren vrij’. Ik had vijf man in mijn warmtebeeld, op 1,5 à 2 kilometer afstand. Wat er precies in mij omging weet ik niet, maar het was raar om de trekker over te halen. Globaal heb ik 40 patronen van 25 mm afgevuurd. Ik ging door tot er niks meer stond om op te vuren. De aanval duurde dertig minuten. Niemand had dit verwacht. We weten nu dat we niet gewenst zijn hier.”

Nu, terug in Brunssum, zegt hij: „Het was goed dat het donker was. Dan zijn mensen groene poppetjes op de warmtekijker, dan kun je ze niet in de ogen kijken.”

Gevraagd naar een reactie zegt een woordvoerder van Defensie dat dit artikel de mening weergeeft van één persoon. Verder zegt de woordvoerder „niet te kunnen reageren” op dit artikel. Hij weigert verder uitleg te geven.

Twee oud-collega’s van Van der Weele bevestigen onafhankelijk de gebeurtenissen zoals deze in dit artikel zijn beschreven. Defensie schreef in een persbericht op 21 december 2006: „De Nederlandse vooruitgeschoven patrouillepost Poentjak werd afgelopen week beschoten door Afghaanse strijders. Twee militairen raakten daarbij licht gewond. Een militair kreeg een granaatscherf in zijn bil, een ander werd geraakt door een wegspattende steen. Inmiddels werken genisten verder aan de versteviging en bescherming van de locatie Poentjak.”

    • Jaus Müller