Ons benul

In de jaren nul ben ik regelmatig aangesproken door boze burgers die het hadden voorzien op de pers die er een potje van zou maken. Zo zouden wij onrust stoken, het beeld vertekenen, angst aanjagen, desinformeren, partijdig zijn, oppervlakkig berichten en vooral uitblinken in negativisme.

De oorzaak voor die afkeer lag niet in het nieuws, maar bij ons, zo wist de narrige burger te vertellen. De terreur van 2001 was dan wel het vermoedelijke breinwerk van een behaarde man in een grot, maar de angst die daar het gevolg van was, was aangemoedigd door ons. De moord op Pim Fortuyn was weliswaar het werk van een eenzame gek, maar de kogel kwam van links – de media hadden de gemoederen opgehitst. Met Van Gogh was het niet anders. Ja, zelfs de hysterie over SARS, het uitdijen van de economische crisis, de angst voor de Mexicaanse griep, het was allemaal te danken aan ons. Wij, zo besloot de boze achterdocht meestal, verdienden nu eenmaal onze boterham met het maken van olifanten waar het muggen betrof.

Maar wat mij vooral opviel aan die boze burger van de jaren nul was hoe weinig vertrouwen hij had in de mensheid, en daarmee misschien wel in zichzelf. In zijn wereld stond de pers niet alleen gelijk aan stemmingmakerij, maar waren de consumenten van het gebodene uitgesproken dociel. Volgens de bozen lieten hun medeburgers zich werkelijk alles aanleunen. De slaafs consumerende lezer, kijker en luisteraar kon geen enkele verantwoordelijkheid worden toegedicht.

En dat is misschien wel de grootste leugen van de jaren nul; dat de burger het initiatief ontnomen is, dat hij geen verantwoordelijkheid meer kán nemen omdat hem alles uit handen is genomen, dat de grote bewegingen van de wereld zo onpersoonlijk zijn geworden dat hij alleen nog anderen de schuld kan geven.

Want wat de jaren nul juist zo kenmerken, is dat informatie van iedereen is geworden. Nooit eerder hebben we er zó over kunnen beschikken.

Wat een grotere kunst is, is om er goed mee om te gaan.