Laatste loodjes (1)

Het einde van het jaar naderde met enige zorgen van persoonlijke aard, moest ik nog vóór Kerstmis vaststellen. Ik kon het niet helpen, ik werd ook maar gestuurd (door wie eigenlijk?).

De eerste tekenen waren, achteraf bezien, al enkele weken eerder waarneembaar. Maar onheil stuit nu eenmaal op innerlijke weerstand. Als je wegkijkt zie je het niet, zo simpel is dat.

Het begon met een flauwe, ondefinieerbare geur die ik af en toe bij het betreden van ons appartement rook.

Hij was nog zo zwak dat ik er amper acht op sloeg. Iets van buiten, dacht ik en ik lette er al niet meer op. In Amsterdam ruik je wel meer ‘van buiten’, vooral onbestemde chemicaliën bij bepaalde windrichtingen – de slechte adem van de grote stad.

De daaropvolgende dagen rook ik thuiskomend soms iets, maar soms ook niets. En áls ik iets bespeurde, leek de reuk na enkele minuten alweer verdwenen. Of was ik er dan al aan gewend?

De vraag vervluchtigde even snel als de geur; er waren interessantere kwesties.

Pas na ruim een week begon me een grotere frequentie op te vallen. Ik rook het nu elke dag en op den duur zelfs bij iedere binnenkomst, ook als ik maar enkele minuten was weggeweest. De geur had iets, ik kan het moeilijk anders uitdrukken, medicinaals. Het was net of er een dokter of verpleger in functie was langs geweest.

„Ruik jij niks?” had ik al een paar keer aan mijn vrouw gevraagd.

„Niets bijzonders”, zei ze steeds.

„Echt niet?”

Ze schudde het hoofd. „Je zult het je wel verbeelden.”

Daarmee was de geur in de prestigesfeer terechtgekomen. Een sfeer die nooit helemaal zonder risico’s en frustraties is. Je weet dat je gelijk hebt, maar je krijgt het niet. Ik begon er nu elke dag over. Soms met de nodige overdrijving, moet ik toegeven, want je probeert van alles om dat afwerende pantser te doorboren.

Jij zegt: „Het begint nu echt te stinken.”

Zij zegt: „Voor mijn gevoel wordt het juist wat minder.”

Goed, het was een soort doorbraak dat ze erkende toch iets geroken te hebben, maar er was meteen een dubieuze relativering aan verbonden.

Ik begon in de verleiding te komen om het luchtje een handje te helpen, al wist ik nog niet precies hoe.

Een bedorven haring neerleggen, de luchtverfrisser saboteren?

Het bleek niet nodig, want er ontstond zo langzamerhand een al te scherpe, godsonmogelijk te negeren reuk.

Opeens wist ik het: schimmel! Mijn vrouw reageerde beledigd: „Hoe kom je daar nou weer bij?”

Ik kreeg een speurhondachtige hardnekkigheid over me en snuffelde in kieren en kasten. De lucht werd steeds venijniger. Op het aanrecht stond een schaal met fruit, mandarijnen vooral. Ik snoof, groef er met mijn hand in en trok een onderliggend mandarijntje omhoog.

De stakker. Hij zag grijs van ellende en viel spontaan uit elkaar. Weken geleden gestorven en nooit afgelegd.

„Dat jij dat niet gemerkt hebt”, zei ik.

„Ik ben verkouden”, zei ze, „of heb jij dát niet gemerkt?”

Er kwam misschien vrede op aarde, maar het was nog niet zover.

Wordt vervolgd