Zou u in deze tijd willen opgroeien? Of liever in uw eigen kindertijd?

Deze vraag legden we aan u voor. Ruim 250 essays kwamen binnen, waarvoor dank. De meeste oudere inzenders hadden vroeger buiten meer vrijheid dan de kinderen van nu. Maar ouders en leraren waren strenger. De kinderen van nu mogen meer thuis, hebben meer geld en spullen. Geen huishoudschool meer voor meisjes en goede hulpmiddelen voor gehandicapten. Deze bijlage is een bloemlezing van de opmerkelijkste stukken. Over stoepranden versus Facebook en een fietstochtje versus een vliegvakantie. Kinderboekenschrijfster Anna Woltz over de rode loper voor kleuters en schrijver Ted van Lieshout over zijn eerste blootfoto.

Ganzenbord Foto: Marie-II bordspellen spelletjes

„Zou ik in deze tijd willen opgroeien? Ik zou zeggen: nee. In elk kind zit creativiteit: bijvoorbeeld de mogelijkheid om in een doos wasknijpers een schoolklas te zien met lieve en stoute kinderen om daarmee te spelen.

Ik denk dat er in deze tijd waarin bijna alles mogelijk is, alles aan kinderen verklaard wordt en zichtbaar gemaakt wordt op de tv, te weinig kans is voor de ontplooiing van hun fantasie.”

Lucie Nusselder, 1925

„Ik vierde dit jaar sinterklaasfeest bij vrienden en keek naar de traag slinkende pakjesberg. Hoewel de avond pas halverwege was hoorde ik een kind zeggen: ‘Ik hoef niks meer.’ Mijn marsepeinen aardappeltje bleef in mijn keel steken. ‘Ik hoef niks meer,’ piepte ook een tweede kind. Dat had ik nog nooit een kind, van welke generatie dan ook, horen zeggen. Te veel gekregen, niks meer te wensen, alleen wat dikker geworden. Wie komt ons redden?”

Coco Schrijber, 1961

„Ik wil liever deze tijd. Vroeger was er veel meer oorlog. Vroeger waren er ook veel meer arme mensen, nu kunnen de arme mensen geld krijgen van de regering. En mensen die ziek zijn, of bijvoorbeeld als ze niet meer zo goed kunnen denken, die worden geholpen door andere mensen. En nu hebben we allemaal leuke spelletjes. En we gaan samen op vakantie. En papa en mama kunnen ons goed helpen met alle dingen. En we kunnen naar vioolles en zwemles en tekenles.”

Stiene van Koolwijk, 2002

„Als ik een keuze moet maken kies ik toch voor vroeger. Waarom? Ik kan er eigenlijk niet meer van maken dan: een beetje nostalgie.”

Wim Veen, 1939

„Waartoe zijn wij op aarde? Met deze vraag heb ik mij de eerste 15 jaar van mijn jeugd niet bezig gehouden. Nee, ik wist het. Om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te worden. Punt.”

Wim Ramakers, 1941

„Vroeger hadden jongens en meisjes pukkels en vet haar; slechte gebitten. Deodorant bestond niet, maar keihard lange afstanden naar school fietsen wel.”

M.C. van Dorst, 1921

„Wat mij vooral is bijgebleven uit die tijd is Het Grote Verheugen. Ik verheugde mij op verjaardagen, op sinterklaas, op een balletuitvoering, maar ook op heel simpele dingen als een dagje naar oma, kerstliedjes zingen of boeken halen bij de bibliotheek. Ik verheugde me, kortom, altijd helemaal suf. Het leven was daardoor nooit saai.”

Corine de Boer-Kuyper, 1953

„Ik ben acht jaar en ik wil liever leven in deze tijd. Vroeger moesten kinderen werken en dat was ook niet echt leuk. En in deze tijd heb ik ten minste een fatsoenlijk huis en we kunnen lekker eten kopen enzo. Ik vind het ook wel fijn om nu een kind te zijn, want dan krijg je meestal veel aandacht. Vroeger moesten de ouders heel hard werken. Ik vind dat ik heel leuke ouders heb en ik heb een hele leuke school en de meester is niet zo streng als vroeger, denk ik.”

Vera Gräper, 2001

„Het zal pedagogisch wel niet zo verantwoord zijn, maar de sfeer van mijn kindertijd wordt eigenlijk vooral opgeroepen door televisieprogramma’s en films van toen. The A-team bijvoorbeeld.”

Erik Toonen, 1977

„Zit ik mijn krant te lezen komt mijn kleinzoon Lucas binnen.

‘Dag opa.’

‘Dag Lucas, hoe is het ermee?’

‘Het gaat, mama had weer een hoop te zeuren, dat ik mijn kamer niet heb opgeruimd. Ze zei dat de jeugd van tegenwoordig gemakzuchtig en slordig is en geen verantwoordelijkheidsgevoel heeft.’

‘Wat vind je daarvan?’

‘Ik vind het vervelend als ze dat zegt. Het klinkt zo slecht. Hoe was zij dan vroeger vraag ik me af.’

‘Je moeder was niet veel anders. Oma en ik moesten haar bijna dwingen haar kamer op te ruimen en dreigen met straf. Weet je, het komt allemaal goed, pubers worden later allemaal nette dames en heren. Oma en ik vonden van de jeugd van toen ook weinig goeds maar het komt wel goed.’”

Cees van der Lee, 1946.

„Wat seksualiteit betreft: wij moesten onze nieuwsgierigheid naar de andere sekse aftasten met de rondfladderende Wehkampgids. Beelden en ervaring groeiden langzaam mee met seksuele ontwikkeling. Nu weten jongeren voor hun eerste seksuele ervaring met welke dieren er zoal seks bedreven kan worden, en lijkt porno even gewoon als je mobieltje opladen.”

Hans van Scharen, 1969

„Als ik nu jong was geweest zou ik ook verlegen zijn geweest. Maar dan was er misschien een psycholoog op mij afgestuurd. En was ik misschien ook wel gepest op school – iets wat mij gelukkig bespaard is gebleven.”

Machteld van de Vijver, 1952

„Laatst zag ik foto’s op Facebook van een feestje waar ik kennelijk niet voor was uitgenodigd door één van mijn 130 beste vrienden. Dat maakte me allesbehalve gelukkig. Een ander voorbeeld is mijn nieuwe crush, die op Facebook had laten weten dat hij over drie dagen in de W139 (Amsterdamse expositieruimte, red.) zou zijn. Dit betekende dat ik zaterdagavond zenuwachtig door mijn kamertje liep te ijsberen. Zal ik ook gaan, zodat ik hem ‘toevallig’ tegen het lijf loop? Ik ben toen uiteindelijk niet gegaan, waarvan ik achteraf ontzettend spijt had. Een dag na het feestje bleek mijn crush namelijk in een ‘gecompliceerde relatie’ te zitten met ‘Lisa’, aldus Facebook. Facebook slokt op deze manier mijn hele leven en verveling op. Had ik maar eens niets te doen, zodat ik aan Sartres oeuvre kon beginnen, zodat mijn creatieve geest zijn gang kon gaan. Ik was dan waarschijnlijk veel gelukkiger geweest dan nu. Ik heb nu namelijk RSI, vierkante ogen en geen vrienden. Dit was in de tijd waarin mijn moeder opgroeide wel anders. Zij verveelde zich dood, ze hadden zelfs geen tv.”

Lotte Mulder, 1987

„Mijn dochter, Lisa fietst vrolijk naar school, ze geniet van haar studie Toegepaste Psychologie. Ze heeft mogen kiezen vanaf dat ze kon kiezen. Ze is gestimuleerd in het vrije denken. Niks is raar en wij vinden jou lief zoals je bent. Haar studie is net zo belangrijk als die van haar broertje, ze pakt haar kansen.”

Jet Jansman, 1960

„Zaterdagavond, gezellig allen rond de tafel met een grote zak vers gebrande doppinda’s, op de radio een hoorspel. Tegenwoordig hangt men met een gigabaal chips onderuitgezakt voor de buis die overigens een goede graadmeter is voor de hebzucht want vaak wordt de tv niet afgedankt omdat hij stuk is maar omdat er weer een groter scherm op de markt komt.”

L. Meershoek, 1926

„Ik kan me niet voorstellen dat ik vroeger ooit in de buurt van een doos vol met alcohol werd neergezet. Geen wonder dat al die kinderen tegenwoordig op hun negende al in het ziekenhuis belanden wegens comazuipen.”

Emma Mulder, 1984

„Volgens diverse onderzoek is de Nederlandse jeugd van nu behoorlijk gelukkig. Geen wonder: ze kan reizen, shoppen, gamen, feesten en seks hebben. Jongeren blijven dikwijls lang thuis wonen en hebben baantjes voor de bekostiging van al die leuke dingen, niet om in hun levensonderhoud te voorzien. Met deze materiële situatie vergeleken, is mijn jeugd een harde en vreugdeloze, ook nog in de magere jaren van na de oorlog.”

Willem Langeveld, 1928

„Ik heb ruim keus uit kleinkinderen, o.a. een ventje van zeven, met wie ik e-mail, die voorzichtig schrijft dat hij ‘denkt’ dat mijn verhalen niet waar zijn. Een andere, van dezelfde leeftijd, is er van overtuigd dat hij over tien jaar in Feyenoord 1 speelt.”

T.G. Nederlof, 1940

„Sommige kinderen waren niet zo goed op school als anderen. Ze haalden onvoldoendes en bleven zitten. Dat leidde niet tot emotionele ouderavonden. Ook niet tot veranderde prestatienormen.”

Paul van Bentem, 1963

„We kwamen de oorlog relatief zonder ernstige gevolgen door, maar we zouden dolgelukkig zijn geweest met maar een klein deel van de vrijheid die de huidige jeugd als haar recht beschouwt. Eén ervaring hebben wij gehad die de jeugd van nu niet zal krijgen en misschien ook niet zal begrijpen: de bevrijding. Dat was de plotselinge realisatie dat het verbodene weer mocht, dat je mocht studeren wat je wilde, of protesteren tegen wat je wilde, reizen en dansen, en al je opgekropte energie uitleven. Het heeft mijn leven beslissend beïnvloed. Of het die vijf benauwde en verloren jaren waard is geweest? Nee, dat denk ik niet.”

Piet Buwalda, 1925

„De leerplichtige leeftijd is enorm opgetrokken,maar het is de vraag of dat echt wel goed is. Mensen worden niet slimmer door langer op school te zitten. Veel jonge mensen willen graag werken, dat wordt ze nu onmogelijk gemaakt. In de jaren 50 was het heel normaal als je na vier jaar MULO een baantje zocht. Veel van die mensen hebben een schitterende carrière achter de rug. Het lange op school zitten en de enorme keuze mogelijkheid aan vervolgstudies maakt dat mensen later volwassen worden.”

Lenie de Zwart, 1949

„Ik vond het als kind toch wel overzichtelijk dat de wereld van de volwassenen in mijn beleving echt een andere wereld was, eentje die ik vaak niet kon begrijpen, waar ik moedeloos en boos over kon zijn, waar ik bij onenigheid gefrustreerd achterbleef, maar die anderzijds ook de veiligheid bood van een van en door volwassenen afgeschermde wereld. In die zin ben ik dus echt een kind van ‘mijn tijd’ en vind ik het wel best dat ik anno 2009 inmiddels 49 ben.”

Marijke van Dusseldorp, 1960

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Het citaat over lange afstanden fietsen en deodorant in de kerstbijlage van Opinie & Debat (24 december, pagina 2), is ten onrechte toegeschreven aan M.C. van Dorst. De juiste auteur is G.W. Veldman-Ubbink, geboren in 1937.