Zelfportret zonder tulband

Het wegsturen van filosoof Tariq Ramadan als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit leidde opnieuw tot commotie rondom zijn persoon. Maar wat gelooft en betoogt hij nu eigenlijk?

04-09-2009, Rotterdam. Debat Tariq Ramadan in de Arminiuskerk te Rotterdam. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Tariq Ramadan: Radical Reform. Islamic Ethics and Liberation. Oxford University Press, 372 blz., € 21,-.

Tariq Ramadan: What I Believe. Oxford University Press, 148 blz., € 13,-.

Tariq Ramadans kortstondige verblijf als bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam ligt alweer achter ons; maar het is nog altijd niet gekomen tot een serieuze discussie over zijn ideeën. In de media werd Ramadan ter verantwoording geroepen over zijn vermeend onacceptabel radicale opvattingen, terwijl de eerste de beste Amerikaanse conservatief er veel hardere meningen over de doodstraf, vrouwen of homo’s op nahoudt. Daarnaast werd steeds beweerd dat hij met dubbele tong zou spreken; maar zulke aantijgingen zijn onmogelijk te weerleggen en dus inhoudsloos. Ze gaan ook grotendeels voorbij aan wat hij wél heeft geschreven.

Toch is het niet moeilijk om van Ramadans omvangrijke oeuvre kennis te nemen. Speciaal voor lezers die weinig tijd hebben, zoals beleidsmakers en journalisten, heeft Ramadan nu What I Believe geschreven, dat bondig zijn voornaamste ideeën over maatschappelijke en politieke vraagstukken samenvat, en dat vol praktische raad en peptalk staat. Maar bovenal gaat het over hemzelf en zijn contacten met de groten der aarde: het is een soort zelfportret zonder tulband, waarin hij zich afbeeldt als moslim én westers, als religieus principieel én maatschappelijk succesvol. Zulke theologie in de ik-vorm irriteert bij tijd en wijle, maar Ramadan inspireert er onmiskenbaar een groot aantal jonge moslims in Nederland mee, en dat valt per saldo positief te waarderen.

Angsten

Ramadans opvatting dat je als belijdend moslim best maatschappelijk kunt slagen, bepaalt ook zijn kijk op het integratiedebat. Inmiddels zijn we allang in een stadium van ‘post-integratie’ beland, betoogt hij: hele generaties moslims zijn in het Westen geboren en opgegroeid. Hun aanwezigheid is slechts de zichtbare dimensie van bredere processen van globalisering en arbeidsmigratie. Ramadan neemt de angsten waartoe zulke processen bij de autochtone bevolking leiden serieus, en bepleit daarom de vorming van een nieuw ‘wij’, waarin vertrouwen tussen moslims en niet-moslims is gebaseerd op het zelfvertrouwen en zelfrespect van moslimmigranten. Die moeten zich daarom niet beschouwen als slachtoffers maar streven naar een actief burgerschap.

Ramadan zet zijn theorie en methoden uiteen in het omvangrijker Radical Reform. Vernieuwing of hervorming is in de islamitische rechtspraak niets nieuws, merkt hij op: schriftgeleerden hebben zich altijd al aangepast aan de veranderende omstandigheden van hun tijd. Maar omdat volgens hem eerdere hervormingsbewegingen geen duurzame resultaten hebben opgeleverd, formuleert hij een radicaler vernieuwingsproject: hij wil niet alleen de praktijk van de islamitische rechtspraak hervormen, maar ook haar principes. Naast de klassieke principes van de Korantekst en de profetische tradities (hadith) introduceert hij hier de natuurlijke en maatschappelijke context als volwaardige juridische principes. Concreet bepleit hij een samenwerking tussen religieuze schriftgeleerden en de meer empirische specialisten in bijvoorbeeld medicijnen, sociologie of economie. Deze samenwerking mag volgens hem echter niet het gezag van de schriftgeleerden ondermijnen.

Ramadans vernieuwingsproject baseert zich met name op de delen van de Koran en de profetische tradities die volgens hem de onveranderlijke kern van de islam vormen. Daarmee verwerpt hij zowel de historiserende lezing van hervormers (zoals de Egyptische, in Nederland wonende Nasr Hamid Aboe Zayd) als de fundamentalistische. De eerste visie leidt volgens hem slechts tot twijfels over de goddelijke oorsprong en status van de Korantekst, terwijl de tweede dogmatisch de letterlijke lezing van de Koran predikt; maar zulke kritiek werkt hij niet in detail uit.

Door zijn kwistige gestrooi met Arabische termen is Ramadans argument moeilijk te volgen voor lezers zonder kennis van de islamitische jurisprudentie, theologie en filosofie. Maar voor wie die kennis wél heeft, is hij juist weer te oppervlakkig: nergens bespreekt hij de klassieke wetenschappers (laat staan recente wetenschappelijke inzichten in hun werk) in detail.

Leken

Ramadan schrijft in eerste instantie dan ook niet voor een publiek van niet- moslims of islamwetenschappers. Hij richt zich vooral tot islamitische leken, die hij zichtbaar probeert te overtuigen van het zuiver islamitische en klassiek-Arabische karakter van zijn aanpak. Misschien is dat slechts een retorische strategie om te anticiperen op fundamentalistische bezwaren dat hij islamitische idealen vermengt met westerse noties; maar het blijft merkwaardig dat hij een moderne en verwesterste Islam in uitsluitend klassiek-islamitische termen wil formuleren.

Nog problematischer is Ramadans overtuiging dat alleen de klassiek geschoolde ‘oelamaa’ of schriftgeleerden zich met hervorming mogen bezighouden: voor hem mag je pas over hervorming meepraten als je – net zoals hijzelf – een volwaardige opleiding in het Arabisch en in de klassieke islamitische wetenschappen hebt gevolgd aan een gerenommeerde islamitische hogeschool. Die houding is niet fundamentalistisch; ze valt niet uit de Koran of hadith af te leiden. Maar ze is wel knap conservatief en elitair. Op zich is dat legitiem: er zijn genoeg autochtone Nederlanders die hun heil zoeken bij prestigieuze dode denkers als Oswald Spengler, Thomas Mann of Edmund Burke; maar Ramadans conservatisme is problematischer. Zijn zoektocht naar nieuwe antwoorden in de klassieke islamitische wetenschappen gaat geheel voorbij aan de radicale ontwikkelingen die zich in de moderne islamitische wereld hebben voltrokken, en op de soms felle kritiek van eerdere hervormers op die wetenschappen en de schriftgeleerden.

Inderdaad spelen die de facto en de jure allang niet meer de rol die ze vroeger hadden. De Koranscholen hebben plaatsgemaakt voor moderne openbare scholen en universiteiten, en de hedendaagse rechtspraak is niet of slechts gedeeltelijk gebaseerd op klassieke sharia-principes maar op moderne westerse noties en praktijken. Met andere woorden: de islamitische wereld heeft allang een veel radicalere hervorming doorgemaakt dan Ramadan doet voorkomen. De belangrijkste vernieuwers van de 20ste eeuw, zoals Mohammed Iqbal, Sayyid Qutb en Ali Sjari’ati, waren dan ook geen oelamaa maar leken.

Dat is geen diskwalificatie van Ramadans werk; maar wel roept het vragen op. Hoe elitair en autoritair is eigenlijk de modernisering die hij nastreeft, en hoe realistisch? De opkomst van een lekenislam is immers allang werkelijkheid. Moslims van nu studeren in moderne scholen en universiteiten, en halen hun religieuze kennis steeds meer van het internet. Ramadans roep om herwaardering van de klassieke Arabisch-islamitische wetenschappen heeft daardoor hooguit symbolische waarde. Ze zal westerse moslims misschien meer cultureel en wetenschappelijk zelfvertrouwen geven, maar aan het seculiere karakter van het onderwijs dat ze volgen verandert ze weinig, of niets.