Wij zijn de besten van de wereld

Friedrich Schiller, precies 250 jaar geleden geboren, leek voorbe-stemd om de concurrent, of zelfs de vijand, te worden van Goethe. Over het wonder van hun vriend-schap verscheen een mooi boek.

Rüdiger Safranski: Goethe & Schiller. Geschichte einer Freundschaft. Hanser, 350 blz. € 21,50 - De vertaling verschijnt in april bij Atlas.

Bijna een jaar lang had Goethe de schedel van zijn vriend Schiller in huis. Schiller was in 1805 op 46-jarige leeftijd gestorven en (omdat hij geen familiegraf had) ondergebracht in een collectieve tombe voor de hogere standen van Weimar. In 1826 vond men dat te weinig eerbetoon, en dus werd de tombe geopend. Maar welke resten waren van Schiller? Met behulp van Schillers dodenmasker hoopte men erachter te komen. De schedel die het moest zijn, kwam tenslotte terecht bij Goethe, die hem soms aan een bezoeker liet zien. Hoe vaak zal hij er in stilte naar hebben zitten kijken? Hij schreef er een gedicht over: ‘Bei Betrachtung von Schillers Schädel’.

DNA-onderzoek schijnt inmiddels te hebben uitgewezen dat de bewuste schedel niet die van Schiller was. Interessanter is de vraag waarom Goethe deze schedel zo graag in huis had willen hebben. Gewoonlijk meed hij alles wat met dood en ziekte te maken had. In 1805 was hij niet eens naar Schillers begrafenis gegaan, maar wel verkeerde hij een jaar lang onder één dak met diens schedel. Rüdiger Safranski komt in zijn nieuwe boek Goethe & Schiller. Geschichte einer Freundschaft niet met een specifieke verklaring, maar misschien mogen we zijn hele boek als een antwoord opvatten: de vriendschap en het verdriet om de verdwenen vriend deden Goethe zijn afkeer van de dood overwinnen, net zoals hij voordien Schillers chronisch ziek-zijn voor lief had genomen.

Eigenlijk waren Goethe en Schiller voorbestemd om elkaars concurrenten, zo niet elkaars vijanden te worden. De twee grootste Duitse dichters van hun tijd, en zeer van elkaar verschillend – dat juist zij elkaars beste vrienden werden, heeft iets van een wonder. Het heeft ook wel even geduurd. Bij hun eerste ontmoeting in 1788 bleef Goethe uiterst gereserveerd; Schillers rebelse successtuk Die Räuber was hem altijd een gruwel geweest. Schiller op zijn beurt vond Goethe een ‘egoïst’, iemand die kennelijk niet het vermogen bezat zich aan wie of wat dan ook te ‘geven’. Aan een vriend schreef hij dat het tussen hen vast nooit iets zou worden. Wel had hij respect voor Goethes literaire smaak. Maar de vriendschap ontstond pas in 1794, nadat Schiller Goethe had gevraagd als medewerker voor zijn nieuwe tijdschrift Die Horen. Bij een toevallige ontmoeting raakten ze in gesprek over Goethes natuurwetenschappelijke theorieën en hoewel Schiller het niet met hem eens was, bleek hij hem wel heel goed te hebben begrepen.

Gesprek

Sinds deze ‘gelukkige gebeurtenis’ (zoals Goethe het achteraf zou noemen) is het gesprek niet meer verstomd. Ze schreven elkaar bijna dagelijks en zochten elkaar geregeld op. Schiller woonde in Jena, waar hij op voorspraak van Goethe was benoemd als hoogleraar geschiedenis. En toen Schiller in 1799 naar Weimar verhuisde konden ze elkaar dagelijks zien, met als nadeel voor ons dat de correspondentie in frequentie en intensiteit verminderde.

Die correspondentie is vanzelfsprekend Safranski’s voornaamste bron geweest. Wie de brieven al kent (of Safranski’s Schiller-biografie uit 2005), zal niet zoveel nieuws tegenkomen. Maar met zijn empathie en stilistische souplesse weet Safranski het bekende verhaal wel weer zeer aantrekkelijk, bijna als nieuw, te vertellen.

De vriendschap tussen Goethe en Schiller is er een om jaloers op te worden. Alle aanvankelijke animositeit (vooral bij Schiller, kwaad omdat het lot de ander zo oneerlijk had bevoordeeld) verdween op slag. Meer dan eens citeert Safranski Schillers opmerking (in een commentaar op Goethes roman Wilhelm Meisters Lehrjahre) dat er ‘tegenover het voortreffelijke geen andere vrijheid bestaat dan de liefde’. Woede en naijver veranderden in grenzeloze bewondering voor het intuïtieve gemak waarmee Goethe schreef en dichtte. Zelf dichtte Schiller nauwelijks nog. Hij verdiepte zich vooral in filosofie en esthetica, zaken waarvan Goethe liever afstand hield, in het besef dat het dichterschap een zeker gebrek aan bewustzijn, een zekere duisternis nodig heeft. Het was een van de grootste verschillen tussen beiden: Schiller streefde naar helderheid, zijn hoofdthema was de vrijheid. Goethe deed allereerst zijn best om de eigen aard of natuur trouw te blijven. De ambitieuze, hardwerkende toneelschrijver tegenover het natuurlijke genie dat alles cadeau kreeg.

In de praktijk waren de verhoudingen iets gecompliceerder. Maar toch, in essentie komt het hierop neer. Beide vrienden vulden elkaar aan. Schiller kon van dichtbij gadeslaan hoe een genie creëerde, bijvoorbeeld tijdens het werk aan Wilhelm Meister (waarvan hem de hoofdstukken steeds werden toegestuurd, met een verzoek om commentaar); Goethe begreep dankzij dat commentaar beter wat hij aan het doen was. Maar na 1796 zijn de rollen omgekeerd – wanneer Schiller in een golf van creativiteit terechtkomt, beginnend met Wallenstein. Vanaf dat moment was het vooral Goethe die commentaar leverde en onder meer aanried van het enorme toneelstuk een trilogie te maken. Aan Goethe zou Schiller ook de stof voor zijn drama Wilhelm Tell te danken hebben gehad.

Tegen de buitenwereld maakten de vrienden voornamelijk één front, niet zelden op een agressieve manier. In 1797 publiceerden ze in Schillers Musenalmanach honderden tweeregelige spotversjes (de zogenaamde Xenien) tegen alles en iedereen in Duitsland. De getroffenen waren vol verontwaardiging, wat nu nog maar moeilijk te begrijpen is als je de tamme versjes leest. Misschien was het feit dat de twee nationale literaire giganten zich tegen de rest hadden gekeerd al genoeg om de verontwaardiging op te wekken. Voelden ze zich misschien boven iedereen verheven? Dat was inderdaad het geval, zo moeten we op grond van de briefwisseling concluderen. Voortdurend wordt er geschamperd op de slechte smaak van het publiek en het dilettantisme van de collega’s. Rechtvaardig zijn de vrienden lang niet altijd, want tot hun slachtoffers behoren ook de jonge romantici, in Jena verzameld rond de gebroeders Schlegel.

Ruzie

Met hen was er, in elk geval bij Schiller, ook gewoon sprake van een persoonlijke ruzie. Schiller had altijd al een hekel gehad aan het in zijn ogen brutale optreden van Friedrich Schlegel en toen deze het ook nog waagde enkele afleveringen van Die Horen negatief te recenseren, was de maat vol. Friedrichs oudere broer August Wilhelm, een trouwe medewerker van Die Horen, werd de wacht aangezegd. En dat was het einde van de goede betrekkingen. Maar niet voor Goethe – buiten Schiller om bleef hij vriendschappelijke betrekkingen onderhouden. De eenheid in de vriendschap was groot, maar bij nader inzien niet altijd honderd procent.

Een van de aardigste kanten van het boek van Safranski is dat hij meer dan eens een poging doet de beide vrienden ook lijfelijk voor ogen te toveren. De lange, magere Schiller met zijn rossige haar, altijd druk gesticulerend terwijl ze door Jena of Weimar wandelen, verdiept in hun gesprek, en de kleine, corpulente Goethe, meestal met de handen op de rug. Ook in huis, waar Schiller zijn pijp uit liet omdat Goethe niet tegen de rook kon, bleven ze vaak niet in hun stoel zitten. Safranski schrijft: ‘Ze zijn weer op trektocht, werd er dan een verdieping hoger gezegd’.

Op die hogere verdieping hield hun omgeving zich op: Schillers vrouw Charlotte von Lengefels, afkomstig uit een oud adellijk geslacht, of Christiane Vulpius, het wulpse dienstmeisje met wie Goethe in 1788 een amoureuze relatie was begonnen, zonder zich iets aan te trekken van het geroddel in Weimar. In de briefwisseling wordt Christiane genegeerd, terwijl Schillers Charlotte regelmatig groeten bijvoegt of mag ontvangen. De reden is simpel: Schiller was ‘omhoog’ getrouwd, zoals Safranski het uitdrukt, Goethe ‘omlaag’. En dat eiste zijn tol, ook al zijn er aanwijzingen dat Schiller en Christiane het op den duur wel goed met elkaar hebben kunnen vinden. Van essentieel belang is het natuurlijk niet, dit standsverschil tussen de vrouwen, maar het heeft bij Goethe en Schiller vast meegeholpen om al snel op gelijke hoogte uit te komen – de enige plek waar een vriendschap van dit kaliber tot bloei kan komen, zonder ooit in te boeten aan aantrekkelijkheid.