Wel wild, niet nobel

Het concept ‘kind’ is een uitvinding uit de achttiende eeuw. Maar helaas bleek het ‘nulkind’ in de natuur niet te vinden. Het feilen van l’enfant sauvage.

De kleine man in de kribbe die dezer dagen weer overal te zien is, lijkt een kind – Gods enige zoon, leerde ik zelfs op school, naar de aarde gezonden om enkele decennia later middels een gruwelijke dood te boeten voor de zonden van ons, stervelingen. Over de manier waarop die baby eigenlijk is geworden tot de volwassen man aan wie de kruisiging voltrokken wordt, leren de evangelisten in het Nieuwe Testament ons weinig. Televisieseries, films of kinderbijbels waarin gepoogd wordt ons Christus’ opgroeien voor te schotelen houden ook altijd iets ongeloofwaardigs: een goddelijke natuur en het vermogen tot het verrichten van wonderen laten zich moeilijk aannemelijk combineren met een onderwerp als jeugdpuistjes, om over opstandigheid tegen Vader nog maar te zwijgen. Christus als mens houdt iets onwezenlijks.

Dat is ook niet zo’n wonder, want de gedachte aan het kind als een aparte entiteit met specifieke eigenschappen, als iets anders dan een mens die nog moet uitgroeien, is in onze cultuur nog maar een recente uitvinding. Van de vroege Romantiek in de tweede helft van de achttiende eeuw, grof gezegd. De grote theoreticus van het kind in de achttiende eeuw was de Franse Verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), wiens in 1762 verschenen Émile, ou de l’éducation richtinggevend is geweest voor de gedachten over wat een kind was: een wezen dat allerlei eigenschappen in zich draagt, zowel verheffende als gênante, zowel meer natuurlijke als meer culturele, die door een goede opvoeding tot ontwikkeling kunnen worden gebracht.

Émile was geen proefondervindelijke, meer een normatieve studie. Hoewel Rousseau zelf schrijft dat hij voor zijn belerende roman veel naar de natuur heeft gekeken, is het boek toch vooral een uiteenzetting hoe de dingen naar het oordeel van de schrijver zouden moeten zijn. Dat quasi-empirische heeft Émile gemeen met veel artikelen die je heden ten dage nog in damesbladen kunt lezen. Wanneer de Cosmopolitan in een omslagartikel over de vraag ‘is het mogelijk om van twee mannen tegelijk te houden’ een ‘35-jarige Ellen, eigenaresse van een eigen pr-firma’ opvoert, die vertelt dat zo’n constructie veel complicaties kent, maar desondanks al jaren succesvol in haar behoeften voorziet, kun je er veilig van uitgaan dat die Ellen in het geheel niet bestaat. Zulke artikelen worden niet geschreven om verslag te doen van een bestaande maatschappelijke trend, maar om aan te sluiten bij onder de lezeressen bestaande wensdromen of verlangens naar maatschappelijk experiment. Er gaat een grote verlokking uit van lectuur waarin een programma (‘moet kunnen’) wordt opgevoerd als betrof het een bestaande praktijk (‘steeds meer vrouwen...’).

Met het kind ‘à la manière de Rousseau’ was het niet anders. Alleen kwam hier eerder dan bij polyandrie in onze dagen, de gedachte aan een verificatie in de praktijk op. Kinderen zijn immers overal, als je ze maar eenmaal hebt leren onderkennen. Een gewone jeugd leent zich er niet zo toe tot laboratorium te worden gepromoveerd – daarvoor duurt zo’n opvoeding te lang. Dus ontstond er een ware hausse in ‘wilde kinderen’, kinderen die op de een of andere manier langdurig aan hun lot waren overgelaten en aldus konden gelden als een soort ‘nulkind’, dat al jaren oud was maar desondanks ‘natuurlijk’ of ‘wild’ was gebleven – rijp voor een geserreerd opvoedingsexperiment waarin de juistheid van Rousseaus populaire inzichten kon worden aangetoond.

Veel van die gevallen lijken, voor zover er peil te trekken valt op schaarse informatie, het equivalent van de dame met de baard – kermisattracties. Maar er is één ‘wild kind’ geweest over wie we heel veel weten – een jongetje dat in 1797 in de bossen van de Zuid-Franse Languedoc werd waargenomen en in 1800 definitief gevangen genomen door jagers, en Victor gedoopt. De Amerikaanse romanschrijver T.C. Boyle schreef in 2006 een prachtig verhaal over hem, dat volgende maand voor het eerst in boekvorm verschijnt. François Truffaut maakte in 1970 al een film over hem: l’Enfant sauvage.

We weten zo veel over Victor doordat een arts, Jean Marc Gaspard Itard, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Parijs, Victors opvoeding ter hand nam en daarover in 1801 en 1807 lijvige verslagen publiceerde. En wat bleek? Victor was, als kind en als opvoedingsobject, als volwaardig mens zou je ook kunnen zeggen, een volslagen mislukking.

Ten tijde van zijn gevangenneming was Victor ongeveer tien jaar oud. Hij had jaren in de bossen geleefd, en beantwoordde in alle opzichten aan het eveneens door Rousseau gemunte begrip van de ‘nobele wilde’. Er was maar één ding aan hem dat op cultuur wees, een litteken in zijn hals dat de veronderstelling leek te wettigen dat hij ooit te vondeling was gelegd door iemand die een halfslachtige poging had gedaan de baby uit zijn lijden te verlossen. Verder was alles aan Victor natuur: hij had zich gevoed met de vruchten des velds en kleine dieren – hij zat vol met schrammen en beten van zijn prooien. Hij liep niet rechtop, maar op handen en voeten. En vooral, voor de onderzoeker een buitenkansje: hij was op geen enkele manier de spraak machtig, al stiet hij wel regelmatig rauwe kreten uit.

Itard vond Victor in een tehuis voor dove wezen in Parijs, waar hij was opgesloten na eerst als bezienswaardigheid te zijn tentoongesteld. Omdat Victor niet sprak, en evenmin reageerde als er tegen hem gesproken werd, had dat een geschikte plaats geleken. Met enige moeite kreeg Itard verlof van de autoriteiten, hem mee naar huis te nemen. De opvoeding begon.

Itard vond uit dat Victor helemaal niet doof was, maar niet reageerde op geluiden die voor hem niet belang waren – het miauwen van een kat was dat bijvoorbeeld wel, want die kon je eten. In zijn fascinerende, duidelijk met liefde geschreven verslagen vertelt Itard hoe hij er uiterst moeizaam in slaagde om Victor, door een systeem van beloning (eten) en straf (opsluiting in de kast), ertoe te brengen aandacht te schenken wanneer hij wordt toegesproken, en nuttige voorwerpen als een tafel om aan te zitten of een lepel om mee te eten te onderscheiden.

Maar het moeilijkste bleek toch de taal. Victor leerde voorwerpen associëren met papiertjes waarop de naam van het voorwerp stond, en later ook met de mondelinge benaming van diezelfde reeks voorwerpen. Actief leerde hij echter maar één woord spreken: lait (melk), temeer een teleurstellend resultaat omdat deze substantie binnen zijn ‘wilde’, primaire belangstellingssfeer lag. Een grote deceptie was ook dat Victor geen sexdrive aan de dag legde – een ontwikkelingskenmerk dat Rousseau nauw aan het hart lag, omdat je daarmee zo aardig het resultaat van opvoeding kunt aantonen: van pakken wat je pakken kunt naar een verantwoorde partnerkeuze.

Slechts op één punt bevestigden de experimenten van Itard de theorieën in Émile: die over het aangeboren rechtvaardigheidsgevoel. Het is een dramatisch hoogtepunt in zowel de film van Truffaut als de novelle van T.C. Boyle. Itard sloot op een dag Victor op in de kast hoewel hij alles goed had gedaan. En inderdaad: Victor werd door tomeloze woede bevangen. Gevoel voor rechtvaardigheid bewezen.

Itards tweede verslag uit 1807 vormt dramatische lectuur, want Victors training is dan al een jaar eerder gestaakt, wegens gebrek aan vorderingen. De dokter vraagt zich af of hij zijn pupil geen groter dienst zou hebben bewezen door hem in het bos te laten. Want ofschoon Victor dus niet een echt mens was geworden, kon hij zich in het wild ook niet meer staande houden – blijkt tijdens zijn regelmatige ontsnappingen. Victor overleed, onder de hoede van Itards huishoudster, in 1828.

In de twintigste eeuw heeft men in het geval Victor wel een autistisch kind willen zien, maar op het moment van zijn overlijden is dit etiket nog lang niet uitgevonden. De voornaamste poging om te laten zien dat het concept ‘kind’ in de levende werkelijkheid echt bestond, als een entiteit waaruit je een mens kunt maken, had gefaald – wat overigens aan de populariteit van de gedachte dat kinderen bestaan geen afbreuk heeft gedaan. Sommige ideeën zijn zo verleidelijk – die hebben helemaal geen basis in de werkelijkheid nodig, evenmin als de voortschrijdende polyandrie uit de Cosmopolitan. Of het kindeke in de kribbe.

De verslagen van Itard en veel andere informatie over ‘wilde kinderen’ is te vinden op FeralChildren.com. T.C. Boyle’s Wild Child verschijnt volgende maand bij uitgeverij Bloomsbury. De dvd van François Truffauts ‘L’Enfant sauvage’ met Nederlandse ondertitels verscheen bij 20th Century Fox.

    • Raymond van den Boogaard