We gaan het dus over de liefde hebben

Jannetje Koelewijn interviewt twee auteurs.

Het resultaat staat in NRC Weekblad, dit is wat er aan voorafging.

Om tien voor half vijf stuur ik Manon Uphoff een sms: „Je weet dat er geen treinen rijden?’” We hebben om zes uur afgesproken in Amsterdam. Ze woont in Utrecht.

Een minuut later belt ze: „Ik zit in de bus naar het station. Rijdt er echt niets meer?”

„Niets. Probeer een taxi te krijgen.”

Het is donderdag 17 december, de eerste dag dat de sneeuw valt. Met mijn fiets aan de hand loop ik van de Amsterdamse redactie van de krant naar het Lloyd Hotel, waar de afspraak zal zijn, met haar en Tommy Wieringa, twee schrijvers.

Tommy Wieringa: Joe Speedboot, Caesarion. Manon Uphoff: Begeerte, Gemis, Koudvuur en De spelers.

Een interview voor NRC Weekblad. Het moet over liefde en lust gaan, seks en dood, ijdelheid en ouderdom – hun werk gaat erover. Maar dat heb ik niet tegen hen gezegd. Ik heb gezegd dat we het over ‘mannen en vrouwen’ gaan hebben, hoe we er voor staan, aan het eind van de jaren 00. Lekker vaag.

Nu moet het er wel van komen. Hoe laat je twee schrijvers die je niet persoonlijk kent over ijdelheid en seks praten? Ik weet niet eens of ze elkaar kennen. Ik heb dat ook niet aan hen gevraagd. Leek me interessant voor de dynamiek van het gesprek.

Voor diezelfde dynamiek leek het me ook interessant om er Maarten Schinkel van de financiële redactie bij te vragen. „Wat vind jij van mannen met rolkoffers?’’, vraagt hij, half november. Hij antwoordt zelf. „Dat zijn geen echte mannen.”

Waarna hij over testosteronpillen begint, en over Stalin en Hitler, en of dat ook vrouwen hadden kunnen zijn. „En Columbus?” zeg ik. „Had dat een vrouw kunnen zijn?” Ik weet het zo net nog niet.

Maarten Schinkel zal tegen zeven uur in het Lloyd Hotel zijn, vlak voor het eten. Eerst gaat Anaïs Lopez foto’s van Manon Uphoff en Tommy Wieringa maken, in de kaalste kamer van het hotel, een soort isoleercel met witte tegels – vindt zij leuk. Ik ga kijken hoe die twee op elkaar reageren, hoe de chemie tussen hen is, en hoe we daar gebruik van kunnen maken. Dat is het idee.

Een interview als een toneelstuk. Maar gaan de spelers meewerken? De hele donderdag loop ik rond als een regisseur die ’s avonds een voorstelling moet leiden en geen script heeft.

Dinsdagavond heb ik Who is afraid of Virginia Woolf gelezen, het toneelstuk van Edward Albee uit 1962. Ik verbeeld me niets, maar het ritme van de dialogen, het venijn waarmee de twee echtparen in het stuk elkaar bejegenen – wat zou ik daar in mijn verhaal graag bij in de buurt komen.

Woensdagavond blader ik in de Linda, gewijd aan oude vrouwen. Foto’s van pin up girls van tachtig. Foto’s van vrouwen die hun rimpels hebben laten opvullen en nu bulten en gaten in hun gezicht hebben.

De romans van Manon Uphoff en Tommy Wieringa heb ik al uit – aan de voorbereiding zal het niet liggen. Maar de lat ligt nu zo hoog dat ik bijna ‘opgelucht’ ben dat ik me op het laatste moment zorgen kan maken of iedereen Amsterdam wel zal bereiken.

De pinautomaat geeft zonder haperen 250 euro, terwijl ik er maar 45 nodig blijk te hebben. Manon Uphoff heeft de taxi gedeeld met drie andere gestrande treinreizigers en er is ‘keihard’ over de prijs onderhandeld. Geruststellend trouwens zoals ze laat merken dat ze zich verheugt op het gesprek. „We gaan het dus over de liefde hebben. Wat nog meer?”

Tommy Wieringa zit al boven met Anaïs Lopez, die op de fiets van huis is gekomen, camera en lamp op de rug. Hij spreidt zijn armen en roept: „Manon!”, als Manon Uphoff binnenkomt. Zij spreidt ook haar armen en roept: „Tommy!” Ze zoenen elkaar.

Achteraf geneer ik me er een beetje voor hoe ik me vervolgens in de maling laat nemen. Ze zeggen dat ze drie jaar een relatie hebben gehad en ik geloof het. Ik wíl het geloven, want het belooft wat voor de rest van de avond.

Dat het niet waar is, daar kom ik pas achter als Maarten Schinkel om kwart voor zeven binnenkomt en ik triomfantelijk – dat ook nog – aan hem vertel hoe goed we onze gesprekspartners gekozen hebben.

Dat sardonische lachje van Tommy Wieringa.

Daarna doe ik alsof ik niets hoor als Anaïs Lopez wil dat ze samen op bed gaan liggen.

Tommy Wieringa: „Moet dat echt?”

Manon Uphoff: „Mijn man zei vroeger altijd dat hij mijn knieën zou breken als hij me met een ander in bed aantrof. Heel kalmerend.”

Tommy Wieringa: „En die man komt van de Balkan!”

Een half uur later, als we aan tafel zitten en de wijn opengaat, vraagt Maarten Schinkel of we in een pornografische tijd leven, en of andere tijden niet pornografischer waren. Pompeï stond vol bordelen.

Eén openingsvraag, hebben we afgesproken. En Maarten Schinkel zou hem bedenken. Daarna moet het vanzelf gaan, en zo gaat het ook.

Op het derde velletje van de achttien die ik vol schrijf, zegt Manon Uphoff dat ze bloot slaapt en Tommy Wieringa dat hij zich een man in een jasje voelt. Op velletje negen bediscussiëren ze de zichtbaarheid van de mannelijke versus de vrouwelijke lustbeleving. Op velletje veertien citeren ze samen de eerste strofen van het gedicht Het Huwelijk van Willem Elsschot.

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd / in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,/

haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven /

toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard /

en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren, /

hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren /

en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Het interview met Manon Uphoff en Tommy Wieringa is te lezen in NRC Weekblad , vandaag bij NRC Handelsblad.

    • Jannetje Koelewijn