Wat kun je nu toch veel! Maar gelukkig hoef ik niet te hyven

Transistorradio Foto: Gregory F. Maxwell radio's Maxwell, Gregory F.

De groenteboer reed met paard en wagen over de Oude Rijksstraatweg vanaf ‘het rooie dorp’ naar ons toe. Je hoorde hem al van ver aankomen op de klinkerstraat. Als hij voor ons huis stond, reed ik met mijn driewielfietsje onder het paard door, tussen zijn voor- en achterbenen. Totdat het paard een keer brieste toen ik net onder hem was. Daarna deed ik het niet meer. Ook de melkboer, de kruidenier en de schillenboer kwamen langs. De schillenboer vonden we erg vies en we verstopten ons onder het canvasdoek, dat dienst deed als garagedeur. Mijn vader had een auto, een Opel Kaptein, blauw met wit dak en witte wangetjes aan de banden. De ‘garage’ was opgetrokken uit rietmatten en golfplaat.

Naar de kleuterschool liepen we met alle kinderen uit de buurt in ganzenpas langs de Rijksstraatweg naar de Beukenlaan, langs het huis van de burgemeester, baron Van Nagell. ’s Winters lag er altijd sneeuw en ijs. Ik leerde schaatsen op de slotgracht van kasteel Moersbergen. Ik speelde in het bos en op straat voor de deur.

Er reden niet veel auto’s. Soms, als we ons verveelden, gingen we nummerborden en merken noteren van langskomende auto’s. Dat ging makkelijk, want er werd niet hard gereden.

Tegenover ons huis lag een weiland waar enkele koeien en paarden liepen. Verderop was Beukenrode, een gesticht voor jongens. Daar moesten we uit de buurt blijven.

De natuur was dichtbij. Hazelwormen, ringslang, stekelbaars, salamander, eekhoorns, fazanten, reeën: ik heb ze allemaal als klein kind al gezien. Mijn vriendje had een terrarium en een tamme kraai. ’s Zomers scheen altijd de zon...

Maar nee, ik zou mijn jeugd niet weer willen meemaken.

Ik kende iedereen van mijn leeftijd in mijn dorp. Van school of van voetbal. Leuk, maar ook benauwend. Ik kwam altijd bekenden tegen. Zelden maakte ik kennis met nieuwe mensen. Ik kocht platen bij Van Wijnen, de enige platenzaak en luisterde naar een paar zenders op de radio, Joost den Draaier, Ferry Maat. Er waren twee televisiezenders. Het leven was niet spannend, vond ik, saai zelfs. Als ik uitging, moest ik uiterlijk om één uur thuis zijn. Met mijn ouders praatte ik alleen over koetjes en kalfjes. Materieel kwam ik niets tekort, maar ik kon geen ervaringen met ze delen.

Verder kon je natuurlijk gaan sporten. Maar dat deed het halve dorp. Ofwel voetbal (de eenvoudige mensen), ofwel tennis (de ‘importdorpelingen’ en de beter gesitueerden). Ik zat uiteraard op voetbal. Pas toen tennis een volkssport werd, ben ik gaan tennissen.

Als ik nu naar mijn twee zoons kijk (22 en 19 jaar oud) denk ik dat hun puberteit veel leuker was dan de mijne. Ten eerste valt er nu veel meer te beleven. Het computerspel ligt altijd op de loer, contacten via MSN, Hyves, mobieltje. Uitgaan tot je erbij neervalt. Studiekeuze: een veelvoud van het aantal keuzes in mijn tijd. Meer geld dan ik ooit bij elkaar heb gezien op die leeftijd. En last but not least: ouders met wie je kunt praten.

De vraag of ik zelf in deze tijd zou willen opgroeien, is dus niet zo makkelijk te beantwoorden. Ik moet het doen met mijn eigen jeugd en ongelukkig kan ik daar niet mee zijn. En dat ik niet hoef te twitteren en dat mijn vrienden echte vrienden zijn en niet mensen die alleen vrienden heten omdat ze op mijn Hyves zitten, dat stemt mij zeer tevreden.

Maar ik laat het opgroeien in deze tijd toch maar over aan degenen die dat het beste kunnen: de huidige jeugd.

Jan Janssen, 1952