Van mijn eerstverdiende geld moest ik een wekker kopen

Photo and Copyright Roger Cremers 13.07.2001 Kranten (Telegraaf en Financieele Dagblad)bezorgende asielzoeker vertrekt voor zijn ronde vanaf het verdeelpunt aan de Brinklaan te Bussum. Cremers, Roger

De aanval kwam totaal onverwacht. Het was nog pikkedonker die ochtend. Vanachter een heg sprong een hond luid blaffend op me af. Slingerend met mijn fiets probeerde ik het beest te ontwijken. De zwaar beladen krantentas hielp daar niet echt bij. Het blauwzwarte boekje met de adressen van abonnees, dat ik in mijn hand hield, viel op de grond. De hond bleef blaffen toen ik bevend van angst het boekje opraapte. Ik stopte de kranten terug in de tas van mijn omgevallen fiets. Nog natrillend verliet ik even later, ongeschonden, het industrieterrein dat onderdeel was van mijn krantenwijk.

Die dag was het 4 december, de dag dat ik voor het eerst mijn krantenwijk liep. Ik had mijn moeder moeten beloven van het eerst verdiende geld een wekker te kopen. Tot die tijd zou zij mij om vijf uur ’s ochtends wakker maken. Ik was aan die krantenwijk begonnen omdat ik niet genoeg had aan het wekelijkse zakgeld. Dat ik nog net geen twaalf jaar oud was maakte voor mijn ouders en de krantendistributeur niet uit. Ze wezen mij op de verantwoordelijkheden die bij een ochtendkrantenwijk hoorden, zoals vroeg opstaan, een fiets met harde banden en de dagelijkse plicht. Meer woorden werden er niet aan vuil gemaakt. Dat je al jong voor jezelf zorgde werd door mijn moeder gestimuleerd.

Ze was die dag teleurgesteld teruggekomen van het gemeenthuis waar ze met een verzoek om studiekostenbijdrage van het kastje naar de muur was gestuurd. Ze moest in die tijd behoorlijk manoeuvreren om financieel rond te komen. We waren met negen kinderen van wie ik de jongste was. Met dat stelletje ‘loketsocialisten’, zoals ze de gemeenteambtenaren noemde, wilde ze niets meer te maken hebben. Beledigd, kwaad en vernederd had ze, zonder bijdrage, het gemeentehuis verlaten. Haar trots had het gewonnen.

We hadden hard gelachen om de folder waarin de overheid ons adviseerde bij een kernaanval onder de trap te gaan zitten. Niet dat de Koude Oorlog werd gebagatelliseerd. Ons gezin was gewoon te groot of het trapgat te klein – nog los van de gesuggereerde bescherming tegen radioactieve straling.

In de kleine tussenwoning van net na de oorlog was nauwelijks ruimte voor ons gezin. Laat staan dat je er enige privacy had. Diezelfde avond zat het hele gezin onder enorme tijdsdruk een surprise met gedicht te maken. Ingespannen probeerde ik een gedicht te schrijven terwijl mijn broers en zusters er achter probeerde te komen wie ik ‘getrokken’ had. De loting was zoals gewoonlijk frauduleus verlopen. Bedacht op sabotage door mijn ‘slachtoffer’ verstopte ik mijn gedicht en surprise die ik de volgende ochtend onbewaakt moest achterlaten vanwege mijn krantenwijk. Die avond kon ik ze, zonder dat sabotage was gepleegd, aanbieden. Mijn angst in het donker werd tijdens mijn ‘slachtoffermoment’ door de Sint vilein uitgemeten in een soort proza waar anderen erg om moesten lachen. Dat soort avonden waren goed voor je incasseringsvermogen. Er waren immers nog tien andere slachtoffers en daar kon je dan zelf weer vreselijk om lachen. Een van mijn zussen werd in haar gedicht gecomplimenteerd met de voltreffer waarmee ze de plaatselijke hoofdagent met een sneeuwbal ‘vol in het gelaat’ geraakt had. Dat hij ‘zeer gekrenkt was in zijn waardigheid’ onderstreepte zijn toch al wankelende gezag. Zelfs mijn vader, een rechtgeaarde calvinist, lachte op een dergelijke avond meer dan in de hele maand daarvoor.

Ik schrik op uit mijn nostalgische mijmeringen door het lawaai van de peuters die een lading cadeautjes uitpakken. Het is pakjesavond, 45 jaar later. De aandacht is verschoven van de kwaliteit van de surprise naar de status van het cadeau. Ik kijk naar mijn dochters. Zij zijn in welvaart opgegroeid. Ze konden studeren zonder erbij te moeten werken. Dankzij een grote keuzevrijheid hebben zij zich kunnen ontwikkelen tot geëmancipeerde hoogopgeleide vrouwen. Toen ik mijn oude moeder ooit vroeg of ik mijn dochters niet al te zeer verwende, was haar antwoord simpel. „Niet als je deelt van wat je hebt, want dat hebben wij ook altijd gedaan met jullie”, zei ze. Een betere rechtvaardiging voor het delen van mijn welvaart met mijn kinderen had ik niet kunnen bedenken. Ik gun ze hun mogelijkheden ook van harte, maar denk intussen wel: opgroeien was vroeger ook heel leuk.

Martin Struijk, 1953

    • Martin Struijk