Rapper Mo$heb kreeg straf voor 'bam bam, Geert'

Vorige week veroordeelde de rechter een rapper voor het bedreigen van Geert Wilders.

Onterecht. Er is een verschil tussen zeggen en doen.

De veroordeling door de Rotterdamse rechtbank van de rapper Mo$heb wegens bedreiging van het Kamerlid Geert Wilders, vorige week, past naadloos in de Nederlandse jurisprudentie. Enig voornemen van de dader om zijn bedreiging te realiseren is niet vereist voor een veroordeling.

Daarbij speelt het precaire politieke en maatschappelijke klimaat een rol; dat geldt zeker in het geval van Wilders, die al jarenlang beveiligd moet worden.

De verdediging van Mo$heb had een beroep gedaan op de uitingsvrijheid die is neergelegd in het Europees Verdrag voor de Mensenrechten, in het bijzonder de ruimte die dit laat voor artistieke expressie. „Een krachtig argument”, erkenden de rechters. Maar niet in dit geval.

Dat het een kwalijke rap was, valt moeilijk te betwisten. Maar de grens van de strafwet luistert nauw. In de tekst wisselen droom en dreiging elkaar af. Dat laatste overheerst, vonden de rechters, mede gezien de verwijzingen naar de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh in de tekst. Het vonnis beperkt zich wel erg tot tekstkritiek en is opmerkelijk kort over het karakter van de rap als genre. Dat heeft vaker een tegen de borst stuitend idioom. „Bagger”, zoals de verdachte in een eerdere zaak het zelf noemde. Maar de rechter is niet een kunstcriticus en kan uitingen niet los zien van hun subculturele context. De vrijheid van meningsuiting geeft ruimte om te confronteren en te shockeren.

Het springende punt is het verschil tussen zeggen en doen. „Uitingen zijn geen vorm van geweld”, zoals de jurist A.J. Nieuwenhuis (Universiteit van Amsterdam) het heeft uitgedrukt. Hij noemde een term als ‘verbaal geweld’ beeldend, maar niet erg verhelderend. In de Verenigde Staten geldt dat de dreiging van direct gevaar nodig is voor een ingreep. En dit land heeft een hele traditie met de moeilijke verhouding tussen uitingsvrijheid en geweld.

In een eerdere strafzaak in Amsterdam werd een 17-jarige jongen veroordeeld wegens bedreiging van Wilders. Uit het vonnis blijkt dat hij gefascineerd was door geweld, bekeerd tot de radicale islam, thuis een geïmproviseerd explosief voorhanden had en zich „heimelijk” gedroeg. Van dit soort concrete risicofactoren is in het Rotterdamse vonnis geen sprake. Het gaat om de uiting als zodanig.

De Nederlandse jurisprudentie heeft geen boodschap aan het verschil tussen zeggen en doen, maar dat maakt het niet minder reëel. Geweld tegen politici is voornamelijk afkomstig van personen die niet eerst de politicus hebben bedreigd of belaagd, concludeerde de Leidse onderzoeker Marijke Malsch enkele jaren geleden. Er bestaat dus een drempel tussen belaging en bedreiging enerzijds en het plegen van geweld anderzijds.

Dat onderstreept de vragen waarmee Nieuwenhuis en A.L.J Janssens (een officier van justitie die promoveerde op strafbare belediging) hun boek Uitingsdelicten (2005) besloten. Zijn veel kwalijke uitlatingen niet een symptoom in plaats van een oorzaak? En versterkt het onderdrukken daarvan niet alleen maar de bestaande onlustgevoelens? Hun conclusie: verontwaardiging is begrijpelijk, maar „een slechte raadgever'”.

De overheid heeft een dure plicht politici, en trouwens ook opiniërende burgers, te beschermen, maar moet zuinig zijn met de strafrechtelijke repressie van uitlatingen.

De uitingsvrijheid is er immers voor iedereen.

Frank Kuitenbrouwer is jurist en medewerker van NRC Handelsblad

    • Frank Kuitenbrouwer