Oudejaarsconference heeft aan status ingeboet

„De oudejaarsconference is een zachte dood gestorven”, zegt Youp van ’t Hek. De dagen dat alle aandacht op oudejaarsavond gevestigd was op één cabaretier, zijn allang voorbij.

De eerste oudejaarsconference op de Nederlandse televisie, door Wim Kan in 1973, trok 6,5 miljoen kijkers. En toen hij dat in 1976 voor de tweede keer deed, waren het er zelfs 7,4 miljoen – het hoogste cijfer dat ooit door een oudejaarsconference is gehaald.

Driekwart van alle tv-kijkers keek die avond naar Kan. En iedereen had het er de daaropvolgende dagen over. Maar daarna werd het allengs minder. Vorig jaar haalde Youp van ’t Hek met zijn zesde oudejaarsconference ruim 2,7 miljoen kijkers. Het jaar daarvoor, in 2007, kwam de debuterende Jan Jaap van der Wal niet verder dan 2 miljoen.

De kwaliteit van een cabaretier laat zich niet afmeten aan kijkcijfers, maar het effect van een oudejaarsconference wel. De komisch bedoelde jaarafsluiting moet meer zijn dan de reguliere tv-registratie van een show die al minstens anderhalf seizoen lang op tournee is geweest.

De cabaretier vat de stand van het land samen en kiest zijn woorden zo doeltreffend dat de beste passages nog maandenlang zullen worden geciteerd. Maar dat gebeurt alleen als zijn optreden het best bekeken programma van de avond is, nadat daar al wekenlang naar is uitgekeken. Die gedeelde voorpret en vooral ook de gedeelde napret zijn essentieel. En daar is steeds minder sprake van.

„De oudejaarsconference is een zachte dood gestorven”, poneert Youp van ’t Hek in het onlangs verschenen boek De koning is dood, leve de koning!, waarin journalist Peter Voskuil de geschiedenis van de oudejaarsconference informatief en goed gedocumenteerd beschrijft. „Ik denk dat het genre verdwijnt en pas heel veel later weer eens terugkomt”, aldus Van ’t Hek. „Het wordt nu misbruikt door te veel mensen. Er zijn er teveel en er zijn er die het niet kunnen. Een oudejaarsconference moet leuk zijn en je moet wat te zeggen hebben. Dat is de basis.”

De traditie is ingezet in 1954, meer dan een halve eeuw geleden, toen cabaretier Wim Kan opperde dat hij wel eens „een uurtje helemaal in mijn eentje op oudejaarsavond” voor de VARA – toen nog de radio – wilde optreden. De omroep stemde in. Kan vroeg en kreeg carte blanche; hij was destijds de eerste artiest die niet vooraf zijn tekst aan de programmaleiding behoefde voor te leggen. De heren van de VARA konden vooraf de opnameband beluisteren. Het contract bepaalde dat die integraal moest worden uitgezonden. Over het schrappen van losse grappen kon niet worden onderhandeld. Als er problemen waren, had Kan het recht de hele uitzending niet door te laten gaan. Zo ver is het echter nooit gekomen.

Wim Kan was de eerste en de laatste die een meerderheid van het volk aan zich bond. Al meteen na hem ontstond de eerste breuk. Fans van Freek de Jonge keken niet naar Seth Gaaikema – en omgekeerd.

Vervolgens zette de versplintering zich voort: steeds meer tv-netten en ook steeds meer cabaretiers met oudejaarsambities. Tot en met grappenmakers als de populaire Guido Weijers, die vorig jaar ruim 1,3 miljoen kijkers naar SBS6 trok, en de van het luidruchtige duo Arie & Silvester bekende Arie Koomen die toen 695.000 kijkers naar BNN lokte.

Maar er is nog een andere reden waarom de status van de oudejaarsconference onder druk is komen te staan. Langzaam maar zeker is de televisie tijdens de feestdagen immers een overvolle uitstalkast van cabaretprogramma's geworden. Dat zijn vooral registraties van reguliere voorstellingen die intussen zijn uitgespeeld – met dit jaar de comeback van Herman Finkers (op 26 december) en de ook al in de bioscopen vertoonde theaterregistratie van Theo Maassen (op 2 januari) als hoogtepunten.

Daarbij komt bovendien het speciaal voor deze gelegenheid gemaakte Volendam van Freek de Jonge (op 1 januari).

Dit alles leidt tot zo'n overvloedig aanbod, dat het publiek nauwelijks meer opgewonden raakt van één oudejaarsconference meer of minder.

Hoe het verder moet, weet niemand. In de epiloog van Voskuils boek suggereert Freek de Jonge voortaan in het begin van het jaar een Idols- achtige reeks te organiseren, waarin acht cabaretiers om de gunst van de kijkers dingen. De winnaar krijgt dan een half jaar de tijd om voor 31 december een conference te maken.

Maar volgens zijn vroegere rivaal Seth Gaaikema kan het ook vanzelf weer goed komen: „Morgen kan het licht van de schijnwerper zomaar weer op iemand vallen die een oudejaarsconference maakt waar iedereen van rilt. En dan is de oudejaarsconference weer springlevend.”

Peter Voskuil: De koning is dood, leve de koning! Uitg. Vierkant, €24,99

    • Henk van Gelder