'Oeroeg' is nog steeds een mysterie

Het Nederlands verleden in Indonesië blijft schrijvers fascineren, maar het Indonesisch heden wordt steeds belangrijker.

EPSON scanner image

Marion Bloem: Vervlochten grenzen. De Arbeiderspers, 282 blz. € 18,95

Jacob Vredenbregt: Terugzien en nakaarten. Zestig jaar ooggetuige in Indonesië. Nijgh & Van Ditmar; 335 blz. € 24,90

Zondag is het zestig jaar geleden dat koningin Juliana en alle ministers van het kabinet-Drees hun handtekening zetten onder de acte van soevereiniteitsoverdracht en erkenning van de Republiek Indonesië. Die erkenning kwam vier jaar te laat, want al op 17 augustus 1945 was door Soekarno en Hatta de Republiek uitgeroepen. In Indonesië is daarom 17 augustus de onafhankelijkheidsdag. De soevereiniteitsoverdracht die volgde op de ‘politionele acties’ wordt er, begrijpelijk, niet gevierd.

Ook in Nederland is er weinig aandacht voor het verlies van de kolonie, behalve in de wereld van het boek. Zo stond de jaarlijkse campagne ‘Nederland Leest’ in het teken van Hella Haasses Oeroeg (1948). Daarin ziet een Hollandse planterszoon zijn inlandse jeugdvriend veranderen in een islamitische strijder voor de onafhankelijkheid.

Al sinds zijn verschijning maakt Oeroeg discussies los. Indo’s zoals de in Nederland geboren schrijver Tjalie Robinson (1911- 1974) hebben Haasse verweten dat Oeroeg louter vanuit het perspectief van de blanke koloniaal, is geschreven, zonder begrip voor mensen van ‘gemengd bloed’, laat staan voor de geknechte inlandse bevolking. Het verwijt is niet terecht. Oeroeg, wat ‘instorting’ of ‘verschuiving van grond’ betekent, laat zien dat het einde van de koloniale heerschappij een aardverschuiving teweegbracht voor in Indië geboren Europeanen, die dat land als hun vaderland beschouwden. Dat gold net zo hard voor bijvoorbeeld militairen van het KNIL (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger). Zij waren na het uitroepen van de Republiek evenzeer Oeroegs vijanden als de blanke planters of bestuursambtenaren. Tjalie Robinson had Haasse dus met hetzelfde gemak voor de voeten kunnen werpen dat zij zich niet had verplaatst in KNIL-militairen. Maar van romanschrijvers kun je niet vergen dat zij zich inleven in loyaliteitsconflicten die gepaard gingen met het dekolonisatieproces.

Wie zich wél in de Indo’s en met name de KNIL-militairen verplaatst, is Marion Bloem in haar in dit herdenkingsjaar verschenen roman Vervlochten Grenzen. Zij beschrijft het leven van een Indo die toevallig bij het koloniale leger verzeild raakte en op zijn sterfbed in Nederland erkent dat hij zestig jaar geleden aan de verkeerde kant heeft gevochten.

Bloem, zelf dochter van een KNIL-militair, laat zien hoe complex de problematiek was waarmee Indische Nederlanders tijdens en na de Indonesische revolutie werden geconfronteerd. Hun positie beïnvloedde niet alleen hun eigen leven, maar ook dat van hun vrouwen en kinderen. Families desintegreerden en raakten (vaak ook geografisch) van elkaar gescheiden.

In Vervlochten grenzen komt de 18-jarige in Jakarta opgegroeide hoofdpersoon Senne Portier erachter dat de loyaliteitsconflicten waarmee haar opa zijn hele leven heeft geworsteld onoplosbaar zijn. Senne, opgeleid op internationale scholen en met een beurs voor Harvard op zak, heeft het uitgemaakt met haar vriend die sympathiseert met moslimterroristen. Senne kan kiezen. Ze kan behalve naar Harvard ook naar haar grootouders in Nederland of bij haar Nederlandse moeder in Jakarta blijven en haar land dienen. Haar opa heeft daarentegen nooit gekozen, noch voor Nederland, noch voor Indonesië.

Vervlochten grenzen is een gecompliceerd boek waarvan de structuur in de verte doet denken aan Max Havelaar. Multatuli’s ‘pak van Sjaalman’ wordt bij Bloem gevormd door ‘Opa’s fictie’, een stapel papieren waarin Sennes grootvader zijn tragische levensgeschiedenis, onder andere als Japanse krijgsgevangene, heeft opgetekend. Zijn kleindochter stuit ze op een document dat Oeroeg heet. Oeroeg blijkt haar opa als jongeman te hebben gered uit een conflict met moordlustige Indonesiërs. ‘Ik noem hem maar Oeroeg’, schrijft opa. ‘Eigenlijk heet hij anders, maar zijn naam weet ik niet meer. Hij is ook een inlander, maar hij heeft aanzien zowel bij de Indische mensen als bij zijn eigen volk.’ Later, tijdens de politionele acties, is opa gedwongen te schieten op mannen als Oeroeg en zijn leven lang worstelt hij met de vraag of hij daarbij dodelijke slachtoffers heeft gemaakt.

Kosmopolieten

En passant beschrijft Bloem de diverse posities die de rest van Sennes familie de afgelopen zestig jaar heeft ingenomen. Degenen die in Nederland terecht zijn gekomen, vormen een bekrompen Indische gemeenschap die nog in de jaren vijftig leeft, hun verwanten in Indonesië zijn bij hen vergeleken welgestelde kosmopolieten die niet malen om het verleden. Voor wie, zoals Senne en haar leeftijdgenoten, in dat verleden niet goed thuis is, valt Vervlochten grenzen moeilijk te begrijpen.

Meer inzicht in de historische en emotionele context van de Indonesische onafhankelijkheid geeft Terugzien en nakaarten van de tot Indonesiër genaturaliseerde Nederlander Jacob Vredenbregt (1926). In deze literair vormgegeven memoires beschrijft Vredenbregt – cultureel antropoloog en kunstverzamelaar – een zelfde type drama als dat van Sennes opa.

Ook Vredenbregt was tijdens de politionele acties gedwongen op ‘Oeroegs’ te schieten, ook hij werd geïnterneerd en raakte los van zijn wortels. Als Nederlandse jongen raakte hij tijdens WO II betrokken bij het verzet. Na de bevrijding meldde hij zich uit zucht naar avontuur als vrijwilliger om ‘Indië van de Japanners te bevrijden’. ‘In feite wist ik niets van wat zich politiek in de voormalige kolonie had afgespeeld’, schrijft hij. Daar kwam hij pas achter na een gevecht met ‘een bende van wel vijftig guerrilla’s’ waarbij drie van zijn kompanen sneuvelden en hij zelf krijgsgevangen werd gemaakt.

In de gevangenis krijgt de jonge Vredenbregt sympathie voor Indo-Europeanen die Indonesisch staatsburger zijn geworden. Als ‘gevangene van de republiek’ die openlijk sympathiseerde met de idealen van vrijheidstrijders, nam Vredenbregt een bijzondere positie in. De verhalen over zijn homoseksuele contacten, waartoe hem in gevangenschap alle faciliteiten werden verschaft, spreken boekdelen. ‘Voor de oorlog waren er duizenden Nederlanders die er vriendjes op na hielden. Van hoog tot laag’, krijgt hij van een Indonesische medegevangene te horen.

Vredenbregt, inmiddels over de tachtig, is altijd in Indonesië gebleven. In Nederland studeerde hij in de jaren vijftig rechten en culturele antropologie, maar steeds keerde hij terug naar het land waaraan hij in de jaren veertig zijn hart had verpand. Hij werd er hoogleraar en maakte naam als schrijver en verzamelaar van Aziatische kunst. Toen hij opteerde voor het Indonesische staatsburgerschap en een religie moest opgeven, koos hij voor de islam. Zijn pragmatische geloofsopvatting lijkt op die van Sennes familie in Vervlochten grenzen, net als Bloem keert hij zich expliciet tegen het moslimfundamentalisme in zijn land.

Guerillastrijder

Beide auteurs maken duidelijk dat voor hen Indonesië een land is met urgentere problemen dan een koloniaal verleden. Zowel bij Vervlochten grenzen als bij Terugzien en nakaarten speelde niettemin voortdurend Oeroeg door mijn hoofd, de nationalistische guerrillastrijder die door zijn blanke jeugdvriend niet begrepen wordt, zoals de planterszoon ook zijn eigen Indië niet meer begrijpt. Bij de afsluiting van ‘Nederland leest’ verklaarde Hella Haasse dat zij er na zestig jaar nog altijd niet achter is wat Oeroeg, Indië dus, voor Nederlanders is geweest. Bloem en Vredenbregt komen vanuit een andere opstelling tot dezelfde conclusie. Indië betekende voor iedere Nederlander, afhankelijk van zijn achtergrond en herinnering, iets anders.