Martiale mythen

De Rode Planeet spreekt al duizenden jaren tot de verbeelding. Onze buren moesten wel daar wonen. Uiteindelijk is zijn leegte beklemmend. Dirk Vlasblom

Niemand weet wanneer de mens voor het eerst naar Mars keek, maar we weten wel wát hij zag. Eerst een bleke roze stip die alleen ’s ochtends te zien is, net voor zonsopgang. Mars beweegt ten opzichte van de sterren, wordt een jaar lang steeds helderder en komt steeds vroeger boven de horizon. Dan beweegt hij plotseling in tegenovergestelde richting. Als hij op z’n helderst is, verbleekt hij alleen bij de maan en Venus. En hij heeft dan een intens rode kleur. Na zeventig dagen maakt hij opnieuw rechtsomkeert. Hij wordt doffer, is alleen nog ’s avonds zichtbaar en gaat steeds vroeger onder. Na een jaar is het weer een bleekroze stip, alleen zichtbaar tegen zonsopgang. Daarna verdwijnt hij en blijft hij honderd dagen weg. Waarna de tweejarige cyclus opnieuw begint.

PENDELBEWEGING

Van de vijf planeten die met het blote oog te zien zijn, spreekt Mars het meest tot de verbeelding. Door zijn intrigerende rode kleur en die raadselachtige pendelbeweging aan de nachtelijke hemel. Dat is een god, dachten de ouden. Toen de wetenschap twijfel zaaide aan godheden, raakte de mens ervan overtuigd dat er ginds wezens moesten wonen die op verkenning wilden, net als hij. Omdat hij op den duur steeds meer zag – of meende te zien – op Mars, verwachtte hij het eerste buitenaardse bezoek uit die hoek van de hemel. De Rode Planeet werd het middelpunt van moderne mythen: een wereld van vijandige, op verovering beluste marsmannen, maar ook een toevluchtsoord voor overlevenden van een aards Armageddon.

De oudst bekende meldingen van Mars zijn opgetekend in Egyptisch hiëroglyfenschrift. Tijdens de 28ste dynastie van het Nieuwe Rijk, 14 eeuwen voor Christus, duikt hij op onder de naam Horus de Rode. De god Horus werd afgebeeld als een man met een havikskop. Egyptenaren noemden Mars ook ‘de planeet die achteruit reist’.

De eerste systematische waarnemingen van hemellichamen zijn gedaan door Babyloniërs. Hun observaties staan op kleitabletten en de oudste rapporten dateren van de vijfde eeuw voor Christus. Het is niet duidelijk waarom geleerden in het Tweestromenland zoveel tijd besteedden aan die waarnemingen. Waarschijnlijk was het een combinatie van tijdrekening en religie. Mars noemden zij Nergal, de tegenpool van de zonnegod Utu. Nergal heerste over de onderwereld en bracht oorlog, ziekte en verwoesting. De Babylonische sterrenkijkers associeerden Mars’ rode kleur waarschijnlijk met woede, koorts en het vuur van de strijd.

Het associatieve verband van rood met razernij is sterk. In de hindoemythologie heeft Mars verschillende namen, waaronder Angaraka (hij die rood van kleur is), ook een oorlogsgod. De Grieken omschreven Mars als ‘vurig’ en noemden de planeet Areoos aster, de ster van Ares. In de Griekse mythologie is Ares de god van de onbezonnen oorlog, van onvoorspelbare drift en impulsief geweld. Hij is de tegenhanger van zijn halfzuster Pallas Athene, de verstandige, geboren uit de hersenpan van Zeus, de godin van de strategische oorlogvoering. Toch versierde Ares, die snel rood aanlopende woesteling, Aphrodite, godin van liefde en vrouwelijke charme.

HELDENMOED

De Romeinen gaven dat paar andere namen: Mars en Venus. In hun pantheon is Mars een veel respectabeler god dan de domme driftkop Ares. Mars kent geen genade met de vijand, maar staat ook voor heldenmoed in de oorlog. Dat maakt zijn liaison met de lieftallige Venus iets aannemelijker. De twee werden iconen van het eeuwig mannelijke en het onveranderlijk vrouwelijke en die symboliek zou zeker zo lang standhouden als de martiale associaties rond de Rode Planeet.

Sinds Aristoteles Mars in 356 voor Christus achter de maan zag verdwijnen en besefte dat de planeet veel verder weg stond, hebben Griekse wetenschappers grote stappen gezet. Zo beredeneerde Aristarchos van Samos (310 – 230 v. Chr.) dat de planeten niet om de aarde draaien, maar om de zon. Hij dacht alleen dat ze volmaakte cirkels beschreven en dat strookte niet met de waarnemingen. Het zou tot de Renaissance duren voor de wetenschap terugkeerde naar het inzicht van Aristarchos en afrekende met de geocentrische fictie.

Tegen die tijd viel er ook meer te zien; hemelvorsers beschikten toen over telescopen. In 1609 kreeg Galileo Galilei Mars voor het eerst in zijn kijker en in 1659 tekende Christiaan Huygens de eerste Marskaart. Huygens keek vaak naar de Rode Planeet. Hij dacht dat er intelligent leven was, een denkbeeld dat hij deelde met veel latere Marskijkers. In de loop der tijd werden de lenzen beter. Astronomen ontdekten ‘zeeën’, ‘wolken’ en ‘poolkappen’ en concludeerden dat Mars seizoenen kent. Het Marsbeeld werd allengs vertrouwder.

MARSKAART

In 1877 stonden zon, aarde en Mars in een rechte lijn en was de afstand tussen de twee planeten minimaal, iets wat om de 26 maanden gebeurt. De Italiaanse astronoom Giovanni Schiaparelli (1835-1910), directeur van de sterrenwacht in Milaan, maakte gebruik van deze ‘Grote Oppositie’ om een gedetailleerde Marskaart te maken. Hij richtte zijn telescoop en zag op het oppervlak behalve donker gekleurde ‘zeeën’ ook een dicht netwerk van dunne, rechte lijnen, die hij in zijn verslag canali (geulen) noemde. Schiaparelli beschouwde ze als een natuurlijk kenmerk van het landschap en dacht dat ze waren ontstaan door stromen oppervlaktewater van de ‘polen’ naar de ‘zeeën’. Maar in de Engelse vertaling van zijn observatieverslag werden het canals (kanalen), en dat zijn kunstmatige constructies. Een mythe was geboren: er was intelligent leven op Mars.

De Marskoorts beving ook wetenschappers. Een fervent aanhanger van de kanalentheorie was de Amerikaanse astronoom Percival Lowell (1855-1916). Hij wijdde een groot deel van zijn leven aan het zoeken naar bewijzen voor leven op Mars. In 1895 schreef hij in zijn boek Mars dat intelligente levensvormen er kanalen hadden gegraven om hun aan droogte stervende planeet te bevloeien. Hoewel Lowell grote verdiensten heeft voor verbetering van de astronomische waarnemingen in de VS, werd hij de risée onder zijn collega’s.

OPTISCHE ILLUSIES

De Italiaanse astronoom Vincenzo Cerulli (1859-1927) was een niet minder bezielde Marskijker. Hij stelde vast dat de ‘kanalen’ verdwenen bij kleinere lensopeningen; het waren optische illusies. En hij zou gelijk krijgen. Toch waren deze fantoomlijnen een halve eeuw lang aanleiding voor hypothesen, speculaties en folklore over ‘marsmannen’ en hun meer of minder vreedzame bedoelingen.

In 1894 zag een Franse astronoom een ‘vreemd licht’ op Mars. Hij publiceerde zijn bevindingen op 2 augustus van dat jaar in het wetenschappelijke tijdschrift Nature. Dit bracht de Britse wetenschapsjournalist H.G. Wells, zelf medewerker van Nature, op een idee. Hij nam de waarneming als beginpunt voor zijn klassieke science fiction-roman The War of the Worlds (1898). De verteller kijkt in het eerste hoofdstuk door zijn telescoop en ziet dat vreemde licht op Mars. Het blijkt de lancering te zijn van cilindervormige ruimteschepen, waarmee Marsbewoners een invasie beginnen van Aarde. Die cilinders worden gelanceerd met kanonnen, net als in De la Terre à la Lune (1865-69) van Jules Verne. Mars sterft aan droogte, zoals Lowell schreef, dus de Martianen zoeken hun toevlucht elders. Ze landen in het zuiden van Engeland, in de buurt waar Wells woont, en de oorlog is een feit. De invallers beschikken over buitenaardse vechtmachines en de Victoriaanse krijgsmacht delft al snel het onderspit. De indringers doen ook aan biologische oorlogvoering. Ze gebruiken een snel woekerend ‘rood kruid’, dat de aardse ecologie even snel verstikt als hun machines de Aardlingen verslaan. Uiteindelijk bezwijken de Martianen aan aardse micro-organismen, waartegen ze geen weerstand hebben. De aardbewoners trekken aan het langste eind, maar zullen voortaan met andere ogen naar de nachthemel kijken.

Het boek was het begin van een nieuw genre in de literatuur: wetenschappelijke fictie over invasies van buitenaardse wezens. Fantasie, zeker, maar je wist maar nooit.

Op 30 oktober 1938, een dag vóór Halloween (Allerzielen), wanneer Amerikanen extra gevoelig zijn voor griezeleffecten, zond de radio daar een hoorspel uit met de titel ‘The War of the Worlds’. Het was een bewerking van de beroemde sf-roman door de toen 33-jarige schrijver en acteur Orson Welles. Het 60 minuten durende drama bestond hoofdzakelijk uit nieuwsberichten en verslagen van de Martiaanse invasie. Hoewel de luisteraars vooraf was verteld dat het om fictie ging, klonk de uitzending zo realistisch dat er grote paniek ontstond. Veel Amerikanen dachten dat hun land echt werd aangevallen door Marsbewoners.

RUIMTEVAART

Na de Tweede Wereldoorlog begon het ruimtevaarttijdperk en dat rekende af met allerlei mythen. De Mariners vlogen langs Mars met hoge resolutiecamera’s en de ‘kanalen’ bleken verdwenen. Rond de millenniumwisseling maakte de mens zich meer zorgen over the enemy within, het onheil dat hij had afgeroepen over zijn eigen planeet, dan over snode plannen van aliens.

De jongste versie van de Marsmythe werd verbeeld in de film Red Planet (2000). Geen meesterwerk, maar wel een aardig voorbeeld van het nieuwe sf-thema: de zoektocht naar een uitwijkplaats voor aardbewoners die de eigen leefwereld hebben verwoest.

In het jaar 2045 wordt Aarde geteisterd door een ecologische crisis als gevolg van overbevolking en het broeikaseffect. Onbemande ruimteschepen hebben op Mars algen gezaaid met de bedoeling de atmosfeer te verrijken en de Rode Planeet bewoonbaar te maken voor de mens. Maar na twaalf jaar stokt dit proces en blijkt de hoeveelheid aangemaakte zuurstof juist af te nemen. Er wordt een bemand ruimteschip uitgestuurd, de Mars-1, die het kolonisatieproject moet zien te redden gezien de afnemende leefbaarheid op Aarde. Het is een reis met vele tegenslagen en een scenario vol waanzinnige wendingen, maar het komt uiteindelijk hierop neer: de algengroei heeft sluimerend leven op Mars, in de vorm van gigantische insecten, een nieuwe voedselbron bezorgd en wakker geschud. De insecten vallen aan, het wordt oorlog en uiteindelijk roeit een grote brand alle leven op Mars – algen en insecten – uit. Twee overlevenden van de missie beginnen zonder resultaat aan de terugtocht naar Aarde.

EENZAAMHEID

Langzaam maar zeker dringt het besef door: misschien zijn we wel alleen. Naaste buren, zoals Mars, waarvan we ooit het meest verwachtten, zijn intussen verkend en onze telescopen turen steeds dieper het heelal in. Daar is van alles te zien, maar niets dat wijst op Contact, de titel van een andere science fiction-film. Die eenzaamheid is beklemmender en doet een nog groter beroep op de verbeeldingskracht dan buitenaards leven. Het is ook een nieuw denkbeeld, want de mens had zich de hemelen nooit voorgesteld als levenloos.

Beklemming verjaag je met humor, zoals in die tv-spot van een vaderlands biermerk. Nederlandse technici besturen vanaf Aarde een Marswagentje. Dat blijkt uitvouwbaar te zijn en wordt fluks omgetoverd tot een toog met biertap en drie krukken. Dan leunen de technici achterover. Tegen hun verbaasde collega’s in Mission Control zeggen ze: ‘And now we wait’. Met een zwaar Nederlands accent klinkt dat net als ‘wie weet’.

En dat is hoop op leven.

    • Dirk Vlasblom