Marmottenrace in het Muiderslot

Burgers wantrouwen gezagsdragers. ‘Hier hebben we een groot probleem bij de kop.’ Hoe kijken Kamerleden naar dit probleem? En hebben ze oplossingen?

Vijf volksvertegenwoordigers lieten zich een dag opsluiten in de ridderzaal van het Muiderslot. Slaan zij gezamenlijk een nieuwe brug naar de kiezers?

Galjaard, David

‘Ik maak me zorgen over deze dag.’’ Op de binnenplaats van het Muiderslot trekt Jan Marijnissen (SP) aan zijn eerste sigaret van de dag. Het regent zacht. De klep van een baseballpet houdt zijn sigaret droog. Het is ochtend, het debat moet nog beginnen maar het lijkt alsof de schemering al is ingetreden. Marijnissen sombert: „Klagen over het politieke bestel is als klagen over het weer. Het heeft geen zin.”

Op gezonde afstand van Den Haag zijn vijf Tweede Kamerleden bijeen gekomen om een hele dag te praten over de manier waarop de democratie in Nederland functioneert. En over de vraag hoe het wantrouwen van burgers in de politiek te keren valt.

Vooraf hebben onderzoeksbureau Synovate en NRC Handelsblad een onderzoek gedaan onder 1.200 kiezers. Wat blijkt? Nederlanders willen meer invloed op de selectie van hun bestuurders, maar willen zelf niet politiek actief zijn. Bovendien voelt een meerderheid van de burgers zich niet vertegenwoordigd door de parlementariërs in de Tweede Kamer. Het wantrouwen is groot. Mogelijke conclusie? Alles moet anders? Het politieke bestel is grotendeels een negentiende-eeuwse uitvinding en, zoals de eminente columnist van deze krant J.L. Heldring het onlangs uitdrukte: „Het zou geen wonder zijn als dit bestel zo langzamerhand is uitgespeeld.”

Vandaar deze dag op het Muiderslot. Het programma is helder: voor de lunch een analyse van de problemen, daarna de oplossingen. Maar we hebben ook een verborgen agenda. Alexander Pechtold krijgt de ruimte om te pleiten voor radicale verandering van het politieke bestel – immers de raison d’être van zijn partij D66. Marijnissen mag, als pragmatisch politicus, op de rem trappen. Vervolgens is het interessant te zien naar welke van de twee ‘polen’ de drie jongere Kamerleden trekken. Zijn ze bereid over partijpolitieke barrières heen te stappen? Kunnen vijf Kamerleden na een dag praten tot gezamenlijke ideeën komen?

Op het slot van de dag is de eindscore niet makkelijk te bepalen. Marijnissen en Pechtold hebben allebei fors gestreden, en soms zelfs zij aan zij, op momenten dat vooral CDA’er Sabine Uitslag dwars lag. Toch is wel te zeggen dat Marijnissen voor de lunch het meeste gehoor vond. Met zijn gezag en een forse portie knorrigheid wist hij de nieuwe Kamerleden ervan te overtuigen dat het wantrouwen van de burger het gevolg is van het gevoerde beleid en niet van het politieke bestel. „Geloof me, ik heb hier lang over nagedacht.”

Maar na de lunch gaat het anders. Op Sabine Uitslag na raakt het gezelschap enthousiast voor allerlei veranderingen. Ook Marijnissen discussieert driftig mee, niet alleen tegen, maar ook vóór vernieuwingen. Zoals voor de invoering van een ‘kernkabinet’, met zo’n dertig staatssecretarissen en slechts een paar ministers; opdat die hun handen vrij hebben om „een visie te ontwikkelen”. En voor partijen die vóór de verkiezingen een coalitievoorkeur uitspreken. Wanneer praktische wijzigingen de revue passeren, zoals herinrichting van de grote zaal van de Tweede Kamer, blijkt Marijnissen zelfs een aantal voorstellen te hebben klaarliggen. Zoals een voor iedereen zichtbare ‘debatklok’ in de plenaire zaal van de Tweede Kamer. „Dan is het eindelijk afgelopen met het gedonder tussen voorzitter en Kamerleden over spreektijd.”

De boel overhoop halen?

De vijf Kamerleden nemen op de dag een hele trits aan wijzigingen door, van een gekozen premier tot een kiesstelsel op basis van districten. Opvallend genoeg laait bij iedere voorgestelde wijziging dezelfde discussie op. Hoofdvraag: doet dit nu echt iets aan het vertrouwen in de politiek? Leiden „structuurveranderingen” van het politieke bestel, zoals Alexander Pechtold ze noemt, tot „cultuurveranderingen” onder politici? Kortom, is het wel verstandig de boel overhoop te halen?

Pechtold is duidelijk. Ja. Om de rest te overtuigen, vertelt hij over AVRO’s Wie-Kent-Kwis. „Je weet wel: met Fred Oster. Marmotten moesten in een langwerpige bak zo snel mogelijk van de ene naar de andere kant rennen. De quizkandidaten mochten tussenschotjes plaatsen. Dat was cruciaal. De schotjes bepaalden hoe de beestjes zich gedroegen. Kortom, veranderde je de structuur, dan veranderde het gedrag mee. Politici zijn niet anders.”

Pechtold vindt het daarom vreemd dat die schotten nooit zijn verzet. „Waar doen we zo heilig over?” Hij wijst erop dat zelfs de bedenker van het bestel, Rudolf Thorbecke, nog allerlei wijzigingen in het verschiet zag. Waarom dan, vraagt Pechtold zich af, durven de huidige politici daar niet aan?

„Misschien”, reageert Marijnissen, „omdat wij er niet in slagen iets beters te bedenken. Ik ben het vaak met je eens, echt: over referenda, over de overbodigheid van de Eerste Kamer, het te grote aantal bestuurslagen en over de Raad van State, met zijn partijpolitieke benoemingen en vreemde dubbelrol als adviserend en rechtsprekend orgaan. Toch denk ik dat Thorbecke iets heeft geschreven dat tot op heden zo gek nog niet is.”

Dit wordt een terugkerende twist op de dag. Sabine Uitslag schaart zich daarbij achter Marijnissen. Tofik Dibi (GroenLinks) kiest de zijde van Pechtold. En Martin Bosma (PVV) gaat nog een stap verder dan de D66-leider. Hij hoopt niet alleen op verandering, maar verwacht die ook, op vrij korte termijn. Want volgens Bosma loopt het politieke bestel op z’n achterste benen, of zittende politici dit nu ontkennen of niet. Grootste probleem: „In Den Haag zitten mensen op een kluitje die meer op elkaar lijken dan op de rest van Nederland.”  De traditionele politieke partij is onderdeel van dat probleem, met haar leden en congressen. Bosma’s bewijsstukken: het Europees referendum, de verkiezing van Rutte tot partijleider van de VVD en de multiculturele samenleving. „Al decennialang was duidelijk hoe Nederlanders dachten over ongebreidelde immigratie, maar tot de bestaande politieke partijen drong het niet door.” Anders dan Pechtold verdedigt hij verandering niet met een vermoeide zucht.

Dibi is minder uitgesproken. Als politici zich anders gedragen, is dat al winst. „Een poppenkast. Zo zien mijn vrienden de politiek.” Oplossing? Vaker „een eerlijk verhaal”. Dibi: „Als je bezuinigt op onderwijs zeg dat dan eerlijk. Draai er geen roze verhaal omheen.” Om zijn punt te maken, vertelt hij over een recente ervaring in de trein. Drie studenten spraken over GroenLinks. Ze verweten de partij geen serieuze poging te hebben ondernomen mee te regeren: „Op een onbeschofte, geringschattende manier. Omdat ze me herkenden, raakten we in gesprek. En toen ze hun verwijt herhaalden, zei ik: inderdaad, dat was gewoon een domme inschattingsfout. Ze wisten opeens niets meer te zeggen. Daarna ontstond er een leuk gesprek. Dat is wat politici vaker moeten doen. Niet meer iedereen naar de mond willen praten.”

„Perfect!” zegt Pechtold.

In de discussie die volgt, noemt Pechtold zich „een representant van de stroming die vanaf de jaren zestig autoriteit niet meer als vanzelfsprekend accepteert.” Hij vindt dat vooruitgang. Sindsdien is „een overtuigende uitleg” onontbeerlijk. Pechtold: „De tijd is voorbij dat de vakbondsleider vertelt op wie je moet stemmen. We laten ons ook niet zomaar tegen de griep prikken als we zelf niet overtuigd zijn van de noodzaak.”

De socialist Marijnissen veert op. Hij vraagt aan Pechtold: „Hoe oud ben jij eigenlijk?” Antwoord: 44. Marijnissen: „Ik ben dertien jaar ouder, ik ben een kind van de jaren zestig. Dat de verhoudingen uit de jaren vijftig niet meer terugkomen, is natuurlijk goed. Maar doe niet alsof het geen fout was elke vorm van gezag ter discussie te stellen. Neem die griepprik. Dat is helemaal geen winst, maar de terugkeer van het obscurantisme uit de Middeleeuwen. Het duidt op een geïnstitutionaliseerd wantrouwen tegen alles en iedereen. Hier hebben we een groot probleem bij de kop, hoor: de politiek heeft er last van, maar ook de onderwijzer, de politieagent, de hoogleraar, het ambulancepersoneel, enzovoorts. Stelselveranderingen helpen hier niet.”

Toch partijpolitiek

De scheidslijnen lopen op deze dag anders dan sommigen zelf hadden gedacht. Als het tijd is voor koffie loopt Bosma op Pechtold af. Of het hem ook is opgevallen dat ze het vaak met elkaar eens zijn. Bosma, lachend: „En je doet nog zo je best je tegen ons af te zetten!” Als speling van het lot moet Bosma bij het maken van de foto voortdurend dichter tegen Pechtold aankruipen. Bosma zegt bang te zijn voor de verborgen camera van Bananasplit.

Bij de lunch blijkt dat de analyses van de ochtend de geestdrift tot veranderingen nog niet zo hebben geprikkeld dat de Kamerleden uit zichzelf over oplossingen beginnen. Het gaat over partijpolitiek, die kennelijk nooit ver weg is. Vooral Dibi en Uitslag nemen de gelegenheid te baat Bosma te vragen naar de eisen die de PVV zal stellen aan regeringsdeelname. Dibi raakt er helemaal opgewonden van. „Ik had het me nooit zo gerealiseerd, maar als ik dit zo hoor: jullie komen helemaal niet in de regering. Wat een prachtige gedachte!”

Marijnissen, die niet deelnam aan het gesprek over de PVV, richt zich plotseling tot Pechtold: „Van jouw ministerschap herinner ik me eigenlijk alleen nog de foto van je aftreden.”

Even later verdedigen Marijnissen en Pechtold gebroederlijk het idee van een kernkabinet. Ze richten zich vooral tot Uitslag, die sceptisch is. Als twee coaches praten ze op hun pupil in. „Zes à acht ministers. Plus zo’n dertig staatssecretarissen, schuine streep: secretarissen-generaal.” Want het plan omvat ook een bescheiden politisering van het ambtelijk apparaat, waarvan vooral Bosma een sterk voorstander blijkt. „Ministers worden soms schandelijk behandeld door hun ambtenaren. Helemaal verkeerd natuurlijk.”

Ook bij het voorstel voor de verkiezingen een coalitievoorkeur uit te spreken, komt de enige vrouw in het gezelschap, tevens enig Kamerlid van een coalitiepartij, tegenover de rest te staan. Dibi: „Behalve een stem op een partij geef je een stem aan een coalitie.” Onuitvoerbaar, zegt Marijnissen. Maar ook hij vindt dat partijen vooraf moeten zeggen met wie ze willen regeren, en wat ze willen regelen in een coalitieakkoord. „De kiezer heeft daar recht op. ” Dat heeft met fatsoen te maken, zegt hij. Wat Wouter Bos deed bij de afgelopen verkiezingen, zeggen dat hij niet onder Balkenende zou dienen en het dan toch doen, kan volgens Marijnissen absoluut niet. „Een politicus die zo opzichtig zijn woord breekt, is desastreus voor het beeld van de politiek.”

Tofik Dibi zet door. Hij wil weten waarvoor Uitslag bang is. Wat is het probleem? Uitslag: „Ik vraag me af of het haalbaar is. Bovendien heb ik nog geen goede redenen gehoord om van het huidige systeem af te stappen.”

Pechtold, met een zucht: „Als mensen kiezen volgens het door jouw geroemde huidige systeem kan opnieuw een kabinet worden geformeerd dat slechts zes procent van de bevolking ziet zitten. Zoals nu. Dat begrijp je? Mensen stemden Bos en kregen Balkenende.”

Bosma: „De vraag is: hoe voorkom je dat?”

Pechtold, triomfantelijk: „Ha! Nu komen we weer bij cultuur en structuur. Aan de structuur is momenteel weinig te doen, omdat daarvoor een grondwetswijziging nodig is en als je Sabine hoort, begrijp je dat daarvoor niet genoeg steun is. Maar in de cultuur is alles mogelijk. Dan kunnen politieke leiders voor de verkiezingen zeggen: kijk, je kunt de wereld van de PVV nastreven, je kunt die van hervormingen en kosmopolitische idealen nastreven, je kunt…”

Dibi: „Dat is te abstract. Welke coalities? Laten wij dat dan zeggen nu. Iedereen hier. Noem je meest geliefde coalitie.”

Pechtold wil niet. „Cultuur!”, roepen de anderen verontwaardigd. „Dit is nu cultuur. Zeg op!”

Hopen op stemmen

Uitslag onderbreekt de opwinding. „Hier krijg ik nu kippenvel van. Echt waar. Dit is nu echt Haagse arrogantie ten top. Dat wij hier op het Muiderslot wel even gaan uitmaken wat de beste coalitie is voor de burgers van Nederland. Wij moeten gewoon ons best doen als Kamerlid en hopen dat burgers op ons stemmen. Dat vind ik. En ik ga hier niet namens mijn partij allerlei voorkeurscoalities uitspreken. Daarvoor gaan burgers juist naar de stembus.”

Pechtold: „En dus krijg je taferelen als: je wilde Cohen, je stemde op Bos, en je kon Bos onder Balkenende krijgen.”

Uitslag gaat er niet op in: „In Den Haag zijn we zo met onszelf bezig. We voeren veel te lange debatten over kwesties die soms nauwelijks de moeite waard zijn. Daardoor denken de mensen in het land: waar zijn zij in godsnaam mee bezig?”

Bosma: „Nou, waar wij mee bezig zijn…? Er gebeurt iets in de samenleving, er ontstaat onrust en dan verwachten de mensen ook dat wij die onrust benoemen, bespreken, een standpunt bepalen en via meerderheden tot besluiten komen. Als er een tbs’er ontsnapt die met een grote gun rondloopt terwijl mijn kinderen buiten spelen, dan ben ik blij dat een Kamerlid een vraag stelt aan de minister.”

Deze woordenwisseling is exemplarisch. Het gesprek over oplossingen leidt op het Muiderslot voortdurend tot opvattingen over het gedrag van politici. Veranderingen binnen het huidige bestel krijgen ook meer steun dan veranderingen die meer voeten in aarde hebben, zoals een vermindering van het aantal Kamerleden (alleen Pechtold en Bosma zijn voor), het direct verkiezen van een premier (na negatieve ervaring in Israël ziet alleen Pechtold dat nog zitten) en invoering van een districtenstelsel.

Natuurlijk wordt ook het voorstel van Pechtold besproken om de provincies af te schaffen. En andere bestuurslagen. Bosma noemt het opheffen van de waterschappen „een inkoppertje”.

Marijnissen sluit zich hierbij aan, ook al zijn „simpel te realiseren dingen” volgens hem „ten minste zo belangrijk”. Zoals het terugbrengen van „de schrikbarend hoge omloopsnelheid van Kamerleden”. Marijnissen: „Op Bas van der Vlies na, ben ik inmiddels het langstzittende Kamerlid. Het voelt alsof ik nog maar net kom kijken!” De anderen zijn pas sinds kort lid van de Kamer. Toch zijn ze het allen met Marijnissen eens. Bosma: „En dit probleem verdwijnt niet snel, daarvoor is de kiezer te wispelturig. Die zorgt al voor vernieuwing, dan moeten partijen daar niet ook nog eens zelf aan bijdragen door voortdurend nieuwe mensen in te zetten.”

Daarna roept Uitslag op tot zelfbeheersing, in een moeilijk te volgen betoog over voeten en hoofden die goed onder of boven elkaar moeten staan. De anderen praten zachtjes door haar heen, om nieuwe veranderingen te lanceren. En als Uitslag is uitgesproken, roept Marijnissen: „Ik wil een klok in de zaal!” Terwijl hij het idee uitlegt, komt Bosma er overheen: „En dan ook een herkenningsmelodie als je spreektijd erop zit: wek, wek, wek!”

Een klok is geen wereldschokkende verandering, daarover is iedereen het eens. Maar het is wel een voorstel dat een cultuuromslag kan bewerkstellingen, ook dat ziet iedereen. Het zal politici leren bondig te formuleren.

Pechtold: „En het spreekgestoelte moet weg. Als niemand meer papier voor zich kan neerleggen, moet het gewoon uit het hoofd.” Daarover is opnieuw iedereen het eens. Zelfs Sabine Uitslag, al houdt die een slag om de arm: „Je moet het wel kunnen hoor, zo voor de vuist weg debatteren.”

Met z’n vijven besluiten ze het verbod op papier toch tenminste tijdens het vragenuurtje te laten ingaan. Bosma krijgt de anderen aan het lachen met zijn „meest genante voorleesmoment”. Hoofdpersoon is staatssecretaris Marja van Bijsterveldt (CDA). „Al voorlezend belandde ze bij de zinsnede: ‘en verder vindt de stas…’ Ze keek verschrikt op en zei: o nee, dat ben ik zelf!”

Dan stelt Marijnissen voor elektronisch te stemmen. Voordeel: dissidente Kamerleden kunnen zich niet verschuilen in fracties. En wegblijven wordt ook zichtbaar.

Het biedt Pechtold de gelegenheid nog één keer zijn stokpaardje te berijden: „Structuurveranderingen, hoe klein ook, werken cultuurveranderingen in de hand. Haal je het spreekgestoelte weg, dan lezen mensen niet meer voor. Hang je een klok op, dan leren ze…” Bosma onderbreekt hem, lachend: „Daar ga je weer! Het lijkt wel een managementcursus, met flip-over en de hele boel! Heb je dat thuis geoefend, of zo?” Bosma imiteert de donkere stem van een zogenaamde deskundige uit een tv-spotje: „Als de strúctuur verandert, verandert de cúltuur.” De rest lacht. Pechtold zegt nog één keer, licht verontwaardigd: „Maar het ís zo!”

Daarna is hij lang stil. Dat geeft anderen de kans het bestaan van een ‘gezagscrisis’ tussen burgers en politiek te relativeren. De politiek is „springlevend” zeggen ze: zo kan de boosheid van burgers ook worden uitgelegd. Pechtold heeft hen duidelijk niet overtuigd. Marijnissen is niet meer zo knorrig als ’s ochtends. Sterker, het is of iedereen de dag met een positieve noot wil eindigen. Bosma herinnert aan „de saaiheid” van de politiek in de jaren negentig. De strijd van tegenwoordig is goed voor iedereen.

Pechtold slaat zijn beurt over voor een finale gedachte.

Muiderslotakkoord

De dag is voorbij. Iedereen vertrekt, Tofik Dibi blijft nog even achter. Deelt hij de conclusie dat PVV en D66, in de dagelijkse politiek bepaald geen bondgenoten, het meest veranderingsgezind zijn in een gesprek over het politieke bestel? Dibi lacht om de gedachte. Net als om het idee dat deze dag had kunnen leiden tot een ‘Muiderslotakkoord’: een overeenkomst tussen onafhankelijk denkende Kamerleden over nieuwe politiek, te presenteren met Kerst, in NRC Weekblad. Daarvoor is de oogst te mager, vindt ook Dibi. Het ophangen van een ‘debatklok’, elektronisch stemmen en een verbod op voorlezen tijdens het vragenuurtje: een akkoord kun je dat nauwelijks noemen.

Als je zo’n akkoord wilt, zegt Dibi, had je misschien moeten doen wat Marijnissen aanvankelijk voorstelde: oudere, prominente denkers bij elkaar brengen die zonder al te veel verantwoordelijkheden op afstand van de politiek staan. Geen Kamerleden. Dibi: „Gek genoeg verschilt mijn partij eigenlijk nauwelijks van D66 in het verlangen naar staatskundige hervormingen. Maar als je ons naast elkaar zet, al is het op een kasteel, dan zoeken we naar verschillen. Om ons te profileren. Dat is ons werk.” Dibi zegt dat ook zijn partij nadenkt over een districtenstelsel. „En we zouden best kunnen opgaan in een liberaal-groen verbond met de PvdA en D66. Maar zolang dat er niet is, willen we elkaar overtuigen van ons eigen gelijk.”

Pechtold zal z’n ‘gelijk’ pas kunnen halen als een catastrofe Nederland treft. Dat zei hij eerder op de dag tegen Marijnissen, bij een wandeling rondom het slot. Marijnissen had Pechtold gevraagd waarom hij de laatste jaren zo stil is over de hervormingsagenda van D66. Pechtold antwoordde dat democratisering nog altijd een van zijn speerpunten is. Maar hij wil ook realistisch zijn. „Ik zeg ik altijd: we hebben alle plannen nog. Het zijn onze kroonjuwelen. Maar ze zijn slechts op aanvraag leverbaar en in de etalage vind je ze even niet.”

Vernieuwing – dat wekt maar frustraties.

    • Huib Modderkolk
    • Pieter van Os