Kroost of knieblessure

Vroeger was het ongehoord, een ballerina die zwanger werd. Maar de danswereld is aan het emanciperen. „Je moet gewoon zorgen dat je snel weer dun wordt.”

Amsterdam, 18-12-09. Igone de Jongh, danseres van het Nationale Ballet. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Een kerstkindje wordt het niet, maar hoogzwanger is Igone de Jongh (30) wel. De eerste soliste en bekendste danseres van Het Nationale Ballet, is uitgerekend op 27 januari. Haar bolle buik veroorzaakt een abrupte onderbreking in haar altijd nog ranke lichaamscontour. Na een aangepaste les – „Springen doe ik niet meer, draaien dúrf ik niet meer, een vijfde positie gaat niet meer en ik doe alles alleen nog laag”, – spreekt ze ontspannen en nuchter over haar zwangerschap.

Alles loopt op rolletjes. Zelfs het extra gewicht, voor een balletdanseres toch bijzonder vreemd, voelt eigenlijk wel lekker, zegt ze. „Ik ben twintig kilo aangekomen. Zestien is normaal geloof ik, maar wij moeten natuurlijk een stuk ondergewicht inhalen. Ik ben me wel voortdurend bewust van dat volume.”

Het zal haar dus niet overkomen dat zij, zoals een voormalige collega, in een café even het tafeltje van de buren schoonveegt met die grote bol aan haar lichaam.

Zwangere ballerina’s zijn pas de laatste twee decennia min of meer normaal. Voor die tijd kwam het zelden voor dat klassieke danseressen kinderen hadden – hun met zoveel zorg en toewijding opgebouwde lichaam behoorde de danskunst toe, en niets anders.

„In de tijd van Sonia Gaskell was het verboden. Zwanger? Abortus of ontslag.” Alexandra Radius (67) formuleert staccato de onverbiddelijke houding van de oprichtster van Het Nationale Ballet. Met mannelijke dominantie in de balletwereld had het ‘kinderverbod’ volgens Radius en echtgenoot Han Ebbelaar dan ook niets te maken. Ook bij andere balletgroepen, in Nederland alle geleid door vrouwen, was zwanger worden in de jaren vijftig en zestig onbespreekbaar. „Ik geloof dat Mea Venema bij ons de eerste was”, herinnert Radius zich. „Nou, dat vonden we raar hoor, in de jaren tachtig. Niemand had kinderen in die tijd.”

Omstreeks 1980 dacht het balletechtpaar zelf aan het krijgen van kinderen. Radius: „Het is niet gelukt. Ik heb er geen trauma’s van, want ik hoefde toch al niet zo nodig. Wij hebben al die jaren heerlijk kunnen samenwerken; elke keer kwam er weer een leuke uitnodiging of een mooi contract. En we hadden zo veel opgebouwd in de groep.”

Angst en onzekerheid weerhielden ballerina’s er tot in de jaren negentig van om zwanger te worden: verlies ik mijn positie in de groep niet, krijg ik mijn figuur terug, zal ik op hetzelfde niveau kunnen presteren? De moeder van de Russische balletlegende Anna Pavlova drukte haar dochter begin vorige eeuw op het hart nóóit zwanger te worden, want dat zou haar lichaam, en dus haar carrière, ruïneren.

Een kleine eeuw eerder bemerkte Marie Taglioni, de eerste balletdanseres die zich op spitzen verhief, tot haar schrik dat het ‘kwaad’ al was geschied. Onder het mom van een knieblessure trok zij zich maandenlang terug van het toneel. In de balletwereld werd ‘un mal au genou’ daarna de gangbare uitdrukking voor een danseressenzwangerschap.

Natuurlijk konden alleen de groten zich een dergelijk langdurige afwezigheid veroorloven. De mindere godinnen, danseressen in het corps de ballet, restte de keuze tussen einde zwangerschap of einde dansloopbaan. En niet alleen onder druk van veeleisende directeuren. Danseressen waren er meestal zelf ook van overtuigd dat een balletloopbaan niet was te combineren met het moederschap. Als zij al kinderen wilden, dan stelden zij dit uit tot (na) het einde van hun podiumcarrière.

Die praktijk is sinds eind jaren tachtig, begin jaren negentig veranderd. Niet zozeer dankzij voortschrijdend inzicht van (para-)medici. De aanstaande moeder Igone de Jongh ziet het als emancipatie in de balletwereld: „Bij Het Nationale Ballet heb ik goede voorbeelden gehad. Vooral toen Wayne Eagling directeur was [1991-2003, FvdW] zijn veel danseressen midden in hun carrière met zwangerschapsverlof gegaan én weer teruggekomen. Nathalie Caris zelfs twee keer, Coleen Davis ook. Het kon dus!”

Radius ziet dat het een stuk makkelijker is geworden: „Er zijn nu sociale voorzieningen die je vroeger niet had. Tegenwoordig moet je gewoon zorgen dat je gauw weer dun bent en aan de slag kunt.” Als voorbeeld noemt zij de eveneens Nederlandse danseres Karin Schnabel, die na de bevalling, begin jaren negentig, na drie maanden weer op de planken stond.

Voor De Jongh en haar echtgenoot, danser Matthieu Gremillet, was de knoop gauw doorgehakt toen de behoefte aan een kind sterker werd. De Jongh: „Ik had nooit gedacht dat ik het midden in mijn carrière zou doen, maar het moederinstinct nam de overhand. Ik was eraan toe, als vrouw, in mijn huwelijk. Ook het verlies van mijn moeder speelde een rol.”

Haar wens werd snel verhoord. Een groot geschenk, vindt ze, ook al omdat ze weet dat het voor sommige danseressen moeilijk is zwanger te worden als gevolg van een laag percentage lichaamsvet.

„Ik dans en ik heb een leven en ik begin aan kinderen als ik dat wil.” Zo vat oefentherapeut Mensendieck Marleen Grol (50) de houding van de hedendaagse, geëmancipeerde balletdanseres samen. Grol begeleidde veel zwangere danseressen op weg naar de bevalling. Dankzij haar ervaring kent zij de specifieke problemen. „Als het al problemen zijn. Danseressen zijn in zoverre anders dat hun spierkorset sterk ontwikkeld is. Het is nodig dat die verweken om het baringskanaal wijd genoeg te maken: dat hoofd moet erdoor kunnen.”

Door het verslappen raakt de diepe stabiliteit verstoord, wat voor dansers een vreemde sensatie is. Dus een lichte vorm van bekkeninstabiliteit, waarover in damesbladen vaak wordt geklaagd, hoort bij iedere zwangerschap. „Naast alle gewone zaken”, zegt Grol, „is het vooral mijn taak Igone ervan te doordringen dat ze niets moet doen wat niet goed voelt. Bijvoorbeeld dat ze een maand voor de bevalling helemaal stopt met trainen, en zich richt op de bevalling.”

Voor hun rentree op de bühne geeft Grol haar cliënten vooral oefeningen voor de diepliggende spieren. „Kracht en explosiviteit staat of valt bij je kernstabiliteit. Die moet je dus als eerste terugtrainen, wil je je benen weer hoog kunnen krijgen en houden.”

Voor zover Grol bekend is, hebben danseressen niet meer problemen met baren dan anderen. In een Amerikaanse studie uit 1998, (Ballet dancers – pregnancy outcomes door Sandra Barry), wordt echter gesuggereerd, al zijn er geen harde data, dat balletdanseressen vaker dan gemiddeld met een keizersnede bevallen. Niet wegens hun smalle bouw, maar doordat de sterke spierenstructuur in de bekkenbodem de tweede fase van de geboorte bemoeilijkt.

Ook van de Nationale Balletbaby’s die in de afgelopen vijftien jaar zijn geboren, is een aantal via de keizersnede ter wereld gekomen. Maar zelfs na die invasieve ingreep zijn hun moeders, mede dankzij goede post-partumbegeleiding, weer op het toneel teruggekeerd, sommigen zelfs beter dan tevoren. „Nathalie Caris bijvoorbeeld”, zegt Radius over een ex-collega. „Ik was nooit dol op haar dansstijl, maar na haar eerste kind was ze fantastisch. Haar optreden had meer diepte gekregen. Ze was volwassen geworden.”

Zwangere ballerina’s zijn niet alleen een geaccepteerd fenomeen geworden, sterker, ze worden zelfs onderwerp van dansproducties. Pina Bausch (wie anders) liet in 1982 al een hoogzwangere danseres optreden in Walzer en in eigen land maakte een, eveneens hoogzwangere, Wies Bloemen in 1997 een stuk over het gevoel draagster van nieuw leven te zijn (Genesis 2). In Stilleven (1997) liet choreografenduo Paul Lightfoot en Sol León zich inspireren door het aanstaande ouderschap. En vorig jaar werden in het Verenigd Koninkrijk twaalf zwangere danseressen gecast voor een nieuwe choreografie van Liv Lorent.

Alle emancipatie ten spijt begint De Jongh nu toch zenuwachtig te worden. „Ik heb het geluk gehad dat ik in mijn carrière nooit grote blessures heb gehad. Echte pijn ken ik eigenlijk niet. En zo’n bevalling… je weet niet wat je te wachten staat. Daar houd ik niet zo van. Daar houd ik helemáál niet van.”

    • Francine van der Wiel