Column

Koptelefoonconference

Ik was een wakkere slaapgast door maar twee uur te tukken. De rest stond ik de drie dj’s bij. Dat is ook de bedoeling van de slaapgast. Zo min mogelijk nachtrust. Je moet proberen de wankele, dienstdoende dj te steunen.

Dat is je werk. Morele steun.

Ik ben al jaren zeer verknocht aan Groningen. Rond de Grote Markt ken ik veel kroegen en de kroegen kennen mij. Niet alleen om te drinken, maar ook om te lunchen, lezen en lanterfanten. Nu mocht ik diezelfde Grote Markt bekijken vanuit het huis en ik kan niet anders zeggen dan dat dat een bijzondere ervaring was. Langzaam en onzeker zag ik de stad dronken worden.

Steeds meer studenten kwamen prettig aangeschoten voor het huis staan. Gewoon staan en lief lodderig voor zich uit staren. Een man in een korenblauw trainingsjack meldde zich rond elf uur ’s avonds en taaide pas om half negen ’s ochtends af.
Hij was absoluut niet dronken. Hij keek afwezig voor zich uit, danste af en toe een beetje mee op de muziek en sprak wat met de anderen, die meestal na een kwartier weer vertrokken naar een warm bed in een aangename kamer.

Hij niet. Hij bleef.

Het was aandoenlijk om te zien wat mensen aan geld kwamen brengen en wat ze er allemaal voor gedaan hadden. Dat ze bereid waren veel te doen komt door die diskjockeys. Hun honger wordt gerespecteerd en daarom doen zoveel mensen mee. Iedereen heeft zin om ook iets te doen. Dat wordt gestimuleerd door die Giel, Gerard en Annemieke. De sfeer is daardoor bijzonder. Er valt letterlijk en figuurlijk geen onvertogen woord.

Een van de onderdelen is dat artiesten er een zogenaamd koptelefoonconcert geven. Dan speelt een band zijn nummers en alleen mensen met een koptelefoon, die ze voor 25 euro voor een half uurtje huren, kunnen de muziek horen. Ik was ook gevraagd om dat te doen. In mijn geval een koptelefoonconference. Ik moet zelf nog steeds lachen om de volstrekt belachelijke situatie.
Stelt u zich voor: buiten in de kou stonden honderd mensen te kleumen en te bibberen en ik stond binnen met een microfoon. Ik begon mijn verhaal en zag die mensen wel degelijk lachen, zij het dat ik niks hoorde.

Normaal speel je op het ritme van een zaal. Je vertelt een grap, de zaal lacht, je laat ze uitlachen en je gaat weer verder. Dat is mijn jarenlange ervaring. Mijn routine. Dat maakt mijn werk ook zo leuk. Het lachende publiek. Mensen tegenover je die plezier hebben. Je deelt met hun de lol. Maar nu was het dus stil.

Ik stond in het lege huis, achter mij draaide Annemieke haar platen en op de bank zaten de hongerige Giel en Gerard met een koptelefoon op. Zij luisterden naar mij en lachten regelmatig. Maar ook dat was raar.

Twee man op de bank. Ik hoorde hen niet lachen want ook ik had een koptelefoon op. Dat moest ook wel anders hoorde ik de muziek en de gesprekken die Annemieke met de gulle luisteraars voerde.
Het werd een van de meest bizarre conferences die ik ooit gegeven heb. Kleumende mensen zien lachen en niet horen. De verpletterende stilte in mijn hoofd. De grappen die volstrekt dood leken te vallen, maar wel degelijk effect hadden.

Halverwege de conference dacht ik: is dit echt? Is dit waar? Het was echt en het was waar. Was het leuk om te doen? Geweldig zelfs. Vooral omdat je weet dat het eenmalig is.

Na drie kwartier bedankte het publiek mij niet met een applaus, maar door met zijn allen op de ramen te roffelen. Dat ontroerde mij zeer. De meest onnatuurlijke conference ooit. Spelen zonder lach.
En toch ben ik zelden zo voldaan geweest na mijn werk. Vereerd dat ik daar drie kwartier mocht kakelen.