Ik voel spijt dat ik geen twaalfjarige ben

Inline skates Foto: Bahnfahrer1976 Bahnfahrer1976

Ik ben jaloers. Het meisje is een jaar of twaalf, haar haren wapperen in de wind en ze jaagt voort op haar splinternieuwe inlineskates. O, wat zou ik die graag gehad hebben, vroeger. Ik had rolschaatsen. Uitschuifbaar voor groeiende voeten, van ijzer, met leren riempjes. Je bond ze als Friese doorlopers om je schoenen, maar bij de geringste vaart die je maakte vlogen ze van je voeten af.

Dus die inlineskates zouden vroeger zeker op mijn verlanglijst hebben gestaan. Of een skateboard. Of een Nintendo, voor als het weer te slecht zou zijn om buiten te spelen. Want dat deed ik het liefst, op straat spelen. Stoepranden met de buurjongen bijvoorbeeld. Bij dat spel stond je tegenover elkaar, ieder op een stoep, met de straat tussen je in, en probeerde je een bal van de stoeprand aan de overkant terug te laten stuiteren, zó dat je hem op kon vangen. Lukte dat, dan had je een punt. Dat kon toen, begin jaren 70, want er stonden hooguit drie auto’s in de straat. Dat is nu anders. Als er al stoepranden zijn in de vinexwijken van nu, staan er overal auto’s in de weg. Of ouders vinden het te gevaarlijk voor kinderen om op straat te spelen.

Vroeger was het beter. Ik ben blij dat ik van ’59 ben en in de jaren 60, 70 ben opgegroeid. Ik was altijd buiten, fietsen of hutten bouwen in de zandhopen van de rondweg die in Dordrecht zou worden aangelegd. Knikkeren en touwtjespringen, voetballen of trefballen op het schoolplein. Hardloopwedstrijden, meidenvangertje (mij kregen ze niet). In de winter schaatsen op het ondergelopen voetbalveld. Glijbanen maken in de sneeuw. In de zomer bloemen plukken voor mijn moeder. Spelen kon ik met niks. Dat moest wel, want er was niet veel geld voor speelgoed, en mijn ouders konden uitstekend ‘nee’ zeggen als ik iets wilde hebben. Maar ik kon toe met weinig: wat stenen, een touw, een paar boomstammen, een oude deken en de hut was gebouwd. Daarin uren fantaseren met de buurtkinderen, want die speelden ook allemaal op straat. Maar wel op tijd naar huis, want regels waren regels, en moeder was streng.

Maar... ik zie mezelf in dat meisje op haar nieuwerwetse rolschaatsen en ik voel spijt. Spijt dat ik niet in deze tijd een twaalfjarige ben, met al dat coole speelgoed. Vroeger was het helemaal niet beter.

Winnie de Keizer, 1959