Ik liet de gehandicapte Stan graag de heuvel afrollen

wapens speelgoed pistolen geweren vuurwapens kinderen spelen Foto: Woodleywonderworks Woodleywonderworks

Wij waren de eerste kinderen die opgroeiden met computergames en spectaculaire videoclips. Maar we speelden toch heel veel buiten, waren geen gevangenen van het ouderlijk huis, het verenigingsleven, of muziekscholen, en kenden angst voor terroristen noch pedofielen. Niets was mooier dan met een groen legerjasje van de plaatselijke dump door de modder te rollen. Aarde kluiten waren granaten en geweren waren van plastic of hout. Het waren de jaren tachtig. Heerlijk vond ik het om van planken bunkers te bouwen of de drilsergeant van mijn geestelijk gehandicapte buurjongen te zijn. Ik liet hem met helm op het heuveltje afrollen en door de modder tijgeren. Ik schreeuwde hierbij mijn bevelen en hield zodoende Stan verschrikkelijk strak. Met de tong uit zijn mond deed Stan zijn uiterste best mijn commando’s op te volgen. ‘Sneller kruipen, luilak, voordat ik mijn bajonet in je zij steek!’. De meisjes keken altijd geamuseerd toe, gefascineerd door dit mannengeweld.

Al enkele jaren hiervoor speelde ik met mijn zusje en broer fanatiek op de ZX-Spectrum Sinclair 8 bit. Later hadden we een Commodore 64. Stan had een MSX, dat zou het helemaal worden. Games met geblokte, houterige mannetjes en eentonige muziek, maar voor ons was het een wonderlijk toetreden tot een magische wereld. Opeens liep je door een piramide over schorpioenen heen te springen, giftige spinnen te ontwijken en aan touwen naar boven te klimmen zoekende naar de schatkamer van Toetanchamon!

Maar altijd was er het buitenzijn – ondanks die digitale verwennerij. Altijd was er die grote grasvlakte achter onze huizen, met die heuvel, de sloot met jonge eendjes en grote karpers, de spannende bosjes, de voetbalvelden erachter. We voelden de kou van de sneeuw als we iglo’s bouwden en waanden ons poolreizigers die moesten vechten tegen de ongenadige elementen. De herfstregen weerhield er ons niet van om onder een dakje van plastic zeil te schuilen op een geheime ontmoetingsplaats waar we de reglementen van onze net opgerichte jeugdbende bespraken.

We kenden slechts twee allochtonen, Hassan en Hussayn, een tweeling, twee kleine, wat achterlijke Turkjes net vers in Nederland die van hun vader honderd gulden zouden krijgen als ze de Koran uit het hoofd kenden. Ik was hiervan onder de indruk: honderd gulden leek een godsvermogen. Janmaat was de Nederlandse Hitler en de enige andere boeven die we kenden waren die van Bassie en Adriaan en de nazi’s uit de Tweede Wereldoorlog.

Pedofielen bestonden nog niet en Michael Jackson bracht met Thriller de allereerste echte supervideoclip uit. Met het op de markt brengen van Cherry Coke en Bolognese chips was het onvoorstelbare gepresteerd, en werd een culinaire lat verlegd waarvan we niet eens wisten dat die er was. Toen de Nederlandse televisie ook nog eens op een derde net ging uitzenden waren het feest en verwondering compleet. Je ouders waren je ouders en niet je beste vrienden.

Nu ben ik 36 jaar en terugdenkend aan die lagere schoolperiode komt er maar één woord bij me op: onschuld. Natuurlijk is dit onzin. We waren niet onschuldig. Maar terugblikkend lijkt het allemaal zo lief. Ik ben dan ook geneigd medelijden te hebben met de hedendaagse kinderen. Die niet voor het eerst kennismaken met porno via vieze boekjes in de bosjes maar achter de desktop. Die geen lullig uitziende poppetjes met blokjes op andere lullig uitziende poppetjes laten schieten, maar met een chirurgisch precisieschot door een vizier met een rood puntje van een semi-automatisch machinegeweer een headshot uitvoeren op een andere online gamer. Want had ik op mijn elfde ook die mogelijkheid gehad, dan denk ik niet dat ik ooit met modder aan mijn broek zou zijn thuisgekomen. Mijn generatie, de dertigers, we zijn de schakel tussen alles wat oud is en alles wat het moderne, geglobaliseerde leven vertegenwoordigt. De laatsten der Mohikanen. De laatsten die nog daadwerkelijk buiten met pijl en boog gespeeld hebben. Ik voel een steek in mijn hart. De jeugd heeft haar onschuld verloren. Ze zitten liever als ouwe kereltjes achter een beeldscherm en komen alleen nog via een toetsenbord met anderen tot wezenlijk contact. Buiten spelen is te gevaarlijk omdat er jagende pedofielen rondlopen zonder vaste woon- of verblijfplaats. Ik vrees voor de toekomst. Verwende en angstige prinsjes en prinsesjes die hun ouders bij de voornaam noemen en die hun handen twintig keer per dag moeten wassen, niet omdat ze in een molshoop hebben zitten wroeten maar uit angst voor de Mexicaanse griep. Dit belooft weinig goeds. Zal onze angstcultuur zich uitbreiden als een computervirus?

Bas van Tuijl, 1973

    • Bas van Tuijl