Ik benijd studenten: in mijn tijd was anticonceptie gerommel

Anticonceptiepil

De maatschappelijke omstandigheden voor meisjes zijn nu veel gelijkwaardiger dan in de periode na de oorlog toen ik opgroeide.

Tegen mijn studenten zeg ik altijd: ik benijd jullie om twee dingen. Ten eerste, er is nu betrouwbare anticonceptie. In mijn tijd was dat een heel gerommel. Veel van mijn jaargenoten moesten trouwen en braken hun studie af. Ten tweede, jullie kunnen nu voor een luttel bedrag over de hele wereld reizen en als je het slim regelt krijg je ook nog studiepunten van mij en mijn collega’s voor stages en projecten.

Zelf ben ik een half jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geboren en opgegroeid vóór de roaring sixties. Het was een periode waarvan de beklemmende sfeer door Van het Reve in De Avonden geniaal is beschreven. Ik kom uit een gezellig warm gezin. ’s Avonds zaten mijn zusje en ik aan tafel onder de lamp ons huiswerk te maken terwijl mijn vader zijn administratie bijwerkte en mijn moeder van alles verstelde. Soms mocht de enige radio die in de kamer stond aan. Er was geen tv, geen internet, geen sms, geen spijkerbroek, geen PlayStation, geen muziek van onze keuze.

Er was – en dat ergert mij nu nog – geen sprake van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen, of tussen jongens en meisjes. Jongens gingen studeren voor arts, meisjes werden verpleegster. En als meisjes gingen studeren moesten ze aan talloze beperkende normen voldoen. De lange broek die noodzakelijk was op de fiets moest in de collegezaal worden uitgetrokken, want naar college gingen meisjes in rok.

Tot eind jaren 60 werden vrouwelijke ambtenaren die trouwden ontslagen. Toen ik als afgestudeerd arts met mijn echtgenoot, ook arts, in 1965 solliciteerde bij Buitenlandse Zaken dat toen in het kader van ontwikkelingshulp artsen uitzond, kreeg ik als gehuwde vrouw geen contract. Er is genoeg te doen in Afrika, u kunt ook heerlijk tennissen en golfen. Maar ik had geneeskunde gestudeerd , een vak waarvan ik hield en houd, en ik wilde dat vak in Afrika uitoefenen.

Toen ik opgroeide bestond in Nederland geen gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen – ook wettelijk niet. Mannen betaalden pensioen ook voor hun vrouw. Als vrouwen werkten en kwamen te overlijden, kregen hun mannen geen pensioen. Dat is pas veel later veranderd. De ongelijkwaardigheid was vergelijkbaar met de cultuur die nu nog heerst bij sommige conservatief-christelijke of allochtone groeperingen. Er heerste een dubbele moraal: meisjes moesten maagd blijven, en opgevoed worden tot goede echtgenotes en moeders: ‘uw enige recht is het aanrecht.’ Jongens moesten ervaring opdoen.

Nu is het voor een Nederlands meisje mogelijk om alles te worden wat ze wil, te doen en te laten wat ze verlangt en zich te kleden zoals het haar goeddunkt, zelfs in conservatievere kringen. Vrouwen hebben gelijke rechten wat betreft pensioen. Er is nog een restje glazen plafond, maar dat kun je zelf redelijk doorbreken.

Onlangs bezocht ik toevallig op zondag de kathedraal in Groningen, waar om 11 uur de hoogmis werd gehouden. Voorafgegaan door een belletje trad de gemijterde prelaat de kerk binnen in gezelschap van een rij misdienaren, onder wie een aantal meisjes met lange krullen. Maar er is nog steeds geen vrouwelijke premier en ik kan nog steeds geen paus worden.

Betty de Jong, 1939