Honderdduizend lezers vergissen zich niet

2009 was een jaar van de rebellie tegen de literaire elite. Het debat in de literatuur was heftiger dan het in jaren was geweest. Het kwam zelfs op televisie. ‘De strijd draait om de vraag wat literatuur is, waarom dat zo is en wie dat mag bepalen.’

Het literaire jaar 2009 begon op 9 januari. Toen verscheen bij uitgeverij Anthos een roman die al een tijdje met affiches op straat was aangekondigd: Het diner van Herman Koch. De schrijver was ’s avonds te gast bij Pauw & Witteman, het boek werd binnen tien dagen enthousiast onthaald in HP/De Tijd, de Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad. Op 14 januari kwam Koch binnen op nummer 11 in de bestsellerlijst van de CPNB, een plaats waar het boek nu ook weer staat. Vreemd eigenlijk, want je zou denken dat iedereen dit succès fou (250 duizend exemplaren) al ver vóór december in de kast had.

Bij Het diner kwamen zo veel succesfactoren samen dat het een complot leek: de televisiefaam van de auteur (Jiskefet), de marketinginspanning van zijn nieuwe uitgever, de enthousiaste recensies, de geringe concurrentie in de ‘stille’ maand januari, de herkenbare setting van een net te chique restaurant en, bijna vergeten, de roman zelf: grappig, spannend en met morele dilemma’s. Toch warende meeste van die factoren al aanwezig in eerdere boeken van Koch, die nog geen tiende van de verkoopcijfers van Het diner haalden.

De sleutel ligt, denk ik, in het restaurant waarin het etentje uit de titel zich afspeelt. De wijze waarop hoofdpersoon Paul Lohman de nep in deze ballentent bespot, is het hoogtepunt van het boek. Bovendien kan de lezer later zelf één en ander controleren in restaurant De Kas in Amsterdam – en ja, alle verhalen zijn waar.

De Kas is méér dan gewoon een chique restaurant met veel flauwekul en kleine porties. Toen het een jaar of tien geleden in de mode raakte, was dat door de nadruk die er werd gelegd op duurzaamheid en natuurlijkheid, om de groenten en kruiden die ter plaatse biologisch worden geteeld. Eten waar je van geniet, maar ook eten waar je je een beter mens van gaat voelen.

Het is, kortom, het restaurant van de elite. Nu ja, van wat in 2009 honend met ‘elite’ werd aangeduid: hoog opgeleide, welvarende, invloedrijke progressieve Randstadbewoners. Niet voor niets is de politicus in Het diner vergeleken met Wouter Bos – elf maanden na dato denk je trouwens eerder aan Alexander Pechtold. De razernij van Paul Lohman loopt synchroon met de populistische aanvallen op ‘de elite’ van Wilders en de verschillende verschijningsvormen van het Telegraafconcern (de krant, GeenStijl en de aspirant-omroepen Wakker Nederland en PowNed).

Het diner, winnaar van de NS Publieksprijs, staat niet alleen in de literaire bespotting van die elite. In het met de Gouden Uil bekroonde Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje moet een van de bekendste verschijningsvormen ervan, de intelligentsia uit Amsterdam-Zuid, eraan geloven. De held uit dat verhaal weet niet hoe snel hij het ‘commentatorenoverleg’ met de vrienden van zijn vader moet inruilen voor de billen en borsten van de Bijlmer. En ook in minder uitbundig verkochte romans als Door mijn schuld (Désanne van Brederode) en Genade (Tina Weemoed) is het leven van de culturele elite niet langer iets om naar te streven, maar juist iets om van weg te rennen. Dat is op zichzelf niet revolutionair: het demasqué van de 21ste-eeuwse intellectueel is drie jaar geleden al indrukwekkend vereeuwigd in Grunbergs Tirza, een boek waarvan dit jaar trouwens ook tienduizenden exemplaren over de toonbank gingen.

Terug aan tafel. Maakt Het diner dus van Herman Koch een literaire Geert Wilders en zijn de kopers van zijn roman potentiële PVV-stemmers? Nee. Niet alleen omdat Koch zelf in interviews juist veel vriendelijke woorden heeft gesproken over de politicus in het boek – de enige die in de roman uiteindelijk de moreel juiste keuze maakt – maar vooral omdat het boek daar te vernuftig voor in elkaar zit. Want de hoofdpersoon mag bepaalde ergernissen met zijn schepper gemeen hebben, zoals die over het restaurant, de schrijver distantieert zich ook van die verteller.

Het nadrukkelijkst doet Koch dat door een patiënt van hem te maken: Paul Lohman lijdt aan een aangeboren afwijking en radicaliseert omdat hij gestopt is met het nemen van zijn pillen. Die literair-technische ingreep kwam hem in deze krant op forse kritiek van Arnold Heumakers te staan. Die meende dat het de lezers daardoor gemakkelijk werd gemaakt om zich van de hoofdpersoon te distantiëren: hij was toch maar een gek.

Voor die kritiek is veel te zeggen, maar ook met zijn afwijking is de verteller van Het diner een fascinerende figuur. Die maakt hem tot een man waaraan weliswaar een schroefje los zit, maar die de dingen juist daardoor scherper formuleert. En bovendien een man die raakt aan bestaand onbehagen: over het morele snobisme in een duur ecologisch restaurant, over het taboe om je aan een zwerver op straat te storen. Paul Lohman is een gek die toch wel een punt heeft.

Dat is precies hoe half Nederland over Geert Wilders denkt en ik denk niet dat dat toeval is. Of preciezer: ik denk dat de reden waarom zoveel mensen in 2009 Het diner hebben gekocht, te maken heeft met het verlangen te luisteren naar mensen als Paul Lohman en Geert Wilders: iemand die het vertrouwde, beschaafde wereldje van ‘nette mensen’ (om de term van Robert Vuijsje maar even te gebruiken) nu eens de waarheid zegt.

Je daarin onderdompelen kan aantrekkelijk zijn voor de mensen die werkelijk vinden dat de macht van die ‘elite’ nu eens gebroken moet worden, maar evenzeer voor degenen die helemaal geen verandering op het oog hebben, maar voor wie het lezen van Kochs schimpscheuten een vorm is van milde zelfkastijding.

Je kunt Het diner zo lezen als een roman over populisme en zelfs als een roman die daartegen waarschuwt: aan het slot wordt Serge Lohman, broer van Paul en de ‘elitaire’ politicus, met geweld uitgeschakeld en lijken de plegers van de voornaamste misdaad in het boek vrijuit te gaan. De verbale afkeer is een voorbode van geweld gebleken.

Zo reflecteert Het diner de aantrekkelijkheid van het ook buiten de literatuur alomtegenwoordige populisme. Dat populisme speelde ook een hoofdrol in het debat over literatuur dat dit jaar heftiger was dan in andere jaren. Het kwam zelfs op televisie.

Tot twee maal toe haalden literaire controverses De Wereld Draait Door. De eerste keer was toen daar gedebatteerd werd over de hierboven al aangehaalde aanmerkingen van Heumakers op Het diner. De criticus werd door presentator Matthijs van Nieuwkerk ontvangen met de mededeling dat hij het feestje van de (toen nog) 100 duizend lezers van die roman dreigde te verpesten. ‘Tafelheer’ Hugo Borst voegde daar nog aan toe dat de kritiek van de ‘doctorandus’ Heumakers de verkoop alleen maar zou stimuleren. Koch en Heumakers schijnen het na afloop van de uitzending in de bar nog uitgebreid over het boek gehad te hebben – op tv was dat er amper van gekomen.

De felheid in die uitzending maakte duidelijk dat er een strijd aan de gang is: misschien niet tegen de politieke elite, maar dan toch in elk geval tegen de literaire elite. Een strijd die erom draait dat bestsellerauteurs als Kluun en Saskia Noort er genoeg van hebben dat zij door critici en andere schrijvers in de hoek gezet worden als tweederangsauteurs. In zijn puurste vorm was die machtsstrijd te zien in het ándere literaire debat dat De Wereld Draait Door uitzond: een catfight tussen Connie Palmen en Saskia Noort. Palmen had op het Boekenbal geroepen dat Noort en de haren moesten ‘ophoepelen’ uit de literatuur. Twee weken later op televisie met haar tegenstander geconfronteerd, had Palmen zichtbaar moeite om argumenten bij haar stelling te vinden. Noort, op haar beurt maakte op geen enkele manier aannemelijk dat haar werk wel tot de literatuur zou behoren. De vijandelijkheden waren er niet minder om, zoals het bij voetbalwedstrijden ook voorkomt dat je zoveel spectaculaire overtredingen ziet dat het je pas na afloop opvalt dat het de hele tijd nul-nul is gebleven.

De strijd draait om de vraag wat literatuur is, waarom dat zo is en wie dat mag bepalen – inderdaad: actuele vragen hoeven geen nieuwe vragen te zijn.

De verschuiving in het antwoord op die vragen is in 2009 te zien in de advertenties waarmee uitgevers hun boeken aanprijzen. Complimenten van critici staan daar nog altijd in, net als verkoopcijfers, maar ook steeds vaker de lovende woorden van bekende Nederlanders, vaak uitgesproken tijdens een interview met de auteur: Matthijs van Nieuwkerk, Paul de Leeuw, Hanneke Groenteman, Mieke van der Weij, Kluun en inmiddels ook Herman Koch zelf zijn gestaag werkende literaire aanprijzingsmachines geworden.

De autoriteitskwestie speelt ook een rol in De revanche van de roman, het boek van hoogleraar Thomas Vaessens over de rol van het engagement in de recente Nederlandse literatuur. Het is, zeker in deze bijlage, uitgebreid besproken en lang niet altijd recht gedaan. Ook niet door de auteur zelf, die in een reeks interviews rondom de verschijning stellig de indruk wekte dat hij actualiteit en moraal in een verhaal belangrijker vond dan klassieke literaire kenmerken als stijl en compositie.

Die suggestie werkte als een rode lap op een stier, waardoor nog maar weinig oog was voor de niet onbelangrijke trend die Vaessens signaleerde: de opkomst van het literaire engagement. Die ontwikkeling maakt, schrijft Vaessens, dat romans niet meer op een klassiek-literaire wijze beoordeeld kunnen worden, dat critici en ook literatuurwetenschappers óók de morele elementen van een roman in hun oordeel moeten betrekken.

Daar heeft hij gelijk in. Vandaar ook dat driekwart van de Nederlandse critici dat al jaren doet: van Heumakers tot Heijne, van Steinz tot Etty en ikzelf – om het tot deze krant te beperken. Het is zo vanzelfsprekend dat het niet eens meer opvalt. Vorige maand stelde Renate Dorrestein dat er nauwelijks gedebatteerd wordt over Nederlandse literatuur (wat eind 2009 toch moeilijk vol te houden is) en dat dat komt doordat de critici de actuele vraagstukken die boeken behandelen over het hoofd zien. Waarna ze een recensie aanhaalde waarin de Vlaamse auteur Elvis Peeters verweten werd dat zijn roman Wij een morele visie ontbeerde. Dat laatste lijkt mij een nogal nadrukkelijke toepassing van andere dan formeel-literaire criteria bij de beoordeling van de roman, maar daar had Dorrestein kennelijk overheen gelezen. In het door haar gewraakte stuk (van Pieter Steinz) gebeurde precies waar Dorrestein om vroeg, alleen zinde de uitkomst haar niet. De recensent vond het boek slecht en vol effectbejag, zij vond het geweldig.

Op vergelijkbare wijze laakte Dorrestein de ontvangst van haar eigen roman is er hoop, die volgens haar positiever had moeten zijn omdat er een belangrijke morele kwestie in aan de orde komt. Ik zou zeggen dat het vooral draait om de vraag of er in een roman ook iets interessants over die belangrijke morele kwestie wordt gezegd.

Dorrestein schrijft: ‘Zelf zit ik al meer dan vijfentwintig jaar vrijwel wekelijks oog in oog met een grote groep lezers in een bibliotheek of multifunctioneel buurtcentrum, en het is mijn indruk dat die veel meer in ethische dan in esthetische kwesties zijn geïnteresseerd.’ En wie zoveel mensen trekt, zal wel gelijk hebben, luidt de impliciete boodschap – het feestje mag niet verpest worden.

Dit populisme betekent voor critici dat ze niet alleen hun invloed moeten bevechten, maar ook hun recht van spreken. En dat kunnen ze alleen doen door stukken te schrijven waarin duidelijk wordt dat er ook op een andere manier naar een boek gekeken kan worden dan in termen van verkoopcijfers en het belang van de maatschappelijke kwesties die erin aan de orde komen. Door, bijvoorbeeld, te signaleren dat Het diner een betere roman had kunnen zijn, zoals Arnold Heumakers in deze krant deed. Of door te zoeken naar een andere zinvolle manier om het verhaal te lezen, als een boek dat óók over populisme gaat. Gelukkig heeft de criticus daarbij een trouwe medestander: de literatuur zelf. Er zijn altijd boeken die je iets nieuws leren, die je op verschillende manieren kunt lezen en die je op een andere manier naar de wereld laten kijken.

Zoals in 2009 Het diner en tientallen andere boeken – zie nrcboeken.nl voor de jaarlijstjes van onze recensenten. Want het grootste misverstand over de literaire kritiek is dat het zou gaan om het afbranden van de boeken die niet goed zijn. Het draait juist allemaal om de zoektocht naar die andere boeken, aan de hand van interpretaties en smaakoordelen, met een blik die probeert verder te reiken dan praktisch nut, het dagelijks leven en het debat van de week. Niet op basis van een handvol formele strikt literaire criteria, maar ook met altijd iets van intuïtie, en met een duidelijk doel voor ogen: er bestaat kunst en die kunst verdient het om benoemd te worden.

Herlees de stukken over ‘Het diner’ en de discussies rondom Thomas Vaessens en Renate Dorrestein via nrcboeken.nl

    • Arjen Fortuin