Hoe de Beatles Fred Kaps wegtoverden

Noel Daniel (red.): Magic 1400s-1950s. Taschen, 650 blz. € 165,60 (geb.)

Uri Geller is een goochelaar. En niet eens zo’n uitzonderlijke, want blijkens de vele videodemonstraties op internet is het verbuigen van een lepel een van de makkelijkste trucs uit het hele goochelrepertoire. Alleen al op YouTube staan tientallen filmpjes van professionals en amateurs, onder wie ook een ietwat dikkig jongetje dat zonder enig misbaar op de keukentafel laat zien hoe het moet. En allemaal doen ze het in minder dan twee minuten.

Des te merkwaardiger is het dus dat Geller toch nog door talloze goedgelovigen als een mysterie wordt gezien. Zelf moedigt hij dat aan door prat te gaan op paranormale eigenschappen, bovenmenselijke krachten en meer van die rimram. Zijn bestrijders noemen hem echter een charlatan. Want zo gaat dat met goochelaars. Als ze er ronduit – met gepaste beroepstrots – voor uitkomen dat ze met hun trucs het hooggeëerd publiek een rad voor ogen draaien, oogsten ze alom bewondering. Maar zodra ze zich liever voordoen als buitengewone individuen met bovenaardse gaven, vragen ze erom ontmaskerd te worden. Terwijl een eerlijke goochelaar nooit wordt ontmaskerd; die krijgt alleen applaus.

Waarom er dan toch nog altijd nepmagiërs zijn als Uri Geller (en zogenaamde mediums als Char, die haar publiek de groeten doet uit het dodenrijk) heeft natuurlijk vooral te maken met aandachttrekkerij. Wie erin slaagt de boel met enig raffinement te bedriegen, valt vaak meer op dan iemand die zich naar waarheid als goochelaar presenteert. Zo kunnen Geller en de zijnen nieuw succes oogsten met de oudste trucs uit de goocheldoos. Geller liet een zaadje in een pot in ijltempo uitgroeien tot een grote plant en noemde dat een occulte topprestatie. Maar al rond 1905 werd zo’n nummer aan den volke vertoond door de Amerikaanse goochelaar Karl Germain. Wat toen begon als een lege bloempot, eindigde na tussenkomst van zijn toverstaf als een weelderige rozenstruik.

Telefoonboek

Germain staat met zijn plantentruc op vier van de meer dan duizend illustraties in Magic 1400s- 1950s, een nieuw boek van uitgeverij Taschen waarop slechts superlatieven van toepassing zijn. Het heeft ongeveer het paginaformaat van deze bijlage en de dikte van het telefoonboek van Amsterdam. En het weegt 6,77 kilo. Dat laatste is tegelijk een groot nadeel: nadat de lezer zich langdurig heeft vergaapt aan de aanblik van het boek, komt toch het moment waarop hij met lezen wil beginnen. Maar hoe? Het is veel te zwaar om in de hand of op schoot te houden. Plat op tafel leggen is eigenlijk het enige wat erop zit, en zelf op een rechte stoel gaan zitten. Ontspannend is dat niet.

Maar wel lonend. Magic 1400s-1950s is een megalomaan blufboek en een magnifiek geschiedenisboek ineen. Het werd samengesteld door Taschen-uitgeefster Noel Daniel en geschreven door de goochelexperts Mike Caveney en Jim Steinmeyer. Hun in het Engels, Duits en Frans afgedrukte verhaal is in deze veelkleurige veelheid van schilderijen, etsen, litho’s, strooibiljetten, affiches en foto’s gelukkig goed leesbaar gebleven. Een feitelijk relaas is het, dat ergens in de 15de eeuw begint – omdat er uit eerdere eeuwen geen illustratiemateriaal te vinden was – en dat precies op 9 februari 1964 eindigt. Op die avond keken 73 miljoen Amerikanen naar The Ed Sullivan Show. Een van de gasten was de Nederlandse goochelaar Fred Kaps, in dit boek betiteld als ‘briljant’. Maar zijn optreden werd geheel overschaduwd door dat van de Beatles. Niemand had het de volgende dag nog over die goochelaar. En daarmee was het gezicht van de showbusiness voorgoed veranderd, zo probeert het slothoofdstuk een logische afronding te maken. Alsof er sinds de Beatles geen goochelaars meer bestaan.

Tijger

In werkelijkheid heeft er nadien wel even de klad in de goochelbranche gezeten, al was het maar omdat elke truc intussen al oneindig vaak in tv-shows was vertoond. Maar toch kwam het genre er gaandeweg weer bovenop, bijvoorbeeld doordat de beoefenaars zich wierpen op een attractie die in het theater veel meer indruk maakt dan op de televisie: het manipuleren van metershoge objecten. Het wegtoveren van een assistente of een tijger, of van de goochelaar zelf. David Copperfield, Hans Klok en diverse anderen zijn er groot mee geworden. Dat ze liever door het leven gaan als illusionist, maakt geen verschil. Het zijn en blijven goocheltoeren.

Wat dit boek mooi duidelijk maakt, is de continuïteit. De oudste klassieker moeten de balletjes zijn die telkens weer onder een andere beker blijken te liggen – die dateren al uit de eerste eeuw na Christus. De term ‘hocus pocus’ stamt van een zestiende-eeuwse goochelaar die zich zo noemde. Het oproepen van geesten (à la Char dus) bestond al in de 18de eeuw en werd toen zelfs aanschouwelijk gemaakt met door een toverlantaarn geprojecteerde gestalten. Het konijn uit de hoge hoed dateert van de tijd dat er mannen met hoge hoeden in het publiek zaten, van wie de goochelaar zo’n hoofddeksel kon lenen. En ook zijn er altijd goochelaars geweest die met het occulte flirtten. Het wemelt in Magic van de magiërs met duiveltjes op hun schouders en doodshoofden onder handbereik.

Ergens wordt ook geciteerd wat de Romeinse toneelschrijver en filosoof Seneca schreef over de voortdurend verhuizende balletjes: ‘Het is de trucage die me amuseert. Maar laat me zien hoe de truc werkt, en dan ben ik niet meer geïnteresseerd’. Caveney en Steinmeyer hebben zich consequent aan dat adagium gehouden. Nergens wordt een truc verraden. Want ook dat is traditie: goochelaars vertellen nooit hoe ze het doen en men dient het hun niet te vragen.