Hinkelen, tollen en knikkeren. Heel wat leuker dan gamen

Een lap, een fles water, wat knijpers en soms wat pinda’s: een tent bouwen. Een hinkelbaan, tekenen op straat met een potscherf samen met je buurmeisje: een steentje gooien in ’t goedvak. Een balletje tegen de muur: Karel I brak z’n been, et cetera.

Eitje leggen: de bal tegen de muur en er overheen springen.

Verstoppertje: eerst aftellen „wie hem zijn moest”, iet- wiet-waait-weg! En later 110 wie niet weg is, is gezien.

Tollen: een zweep met ’n tol met zelf kleurtjes erop gemaakt voor het effect, of een priktol met een touwtje erom gewonden.

Knikkeren: gebakken van klei, later waren ze van glas met kleurtjes erin. ‘Mexicaantjes’ noemden wij ze. Ook wel van lood ‘looie daaien’.

Diabolo: twee stokjes, verbonden met een draad zo hoog mogelijk de jojo zwiepen en weer op de draad opvangen.

Bokspringen, touwtje springen. Elk spel had zo zijn ‘seizoen’.

Bezigheden met anderen. Zullen de (asociale) computerspelletjes van nu later zoveel fijne herinneringen opleveren?

A.L. van den Bosch Meeuwis, 1929

    • A.L. van den Bosch Meeuwis