Het schoeisel van de bioloog

In het staartje van het Darwinjaar speelt zich in de enorme stapel publicaties over de evolutie een strijd af om het voortbestaan. Op zoek naar het fitste Darwinboek.

Er is onleesbaar veel over evolutie geschreven. Aldus Dick Hillenius achterin zijn dunne boekje Inleiding tot het denken van Darwin, dat hij in 1966 schreef naar aanleiding van een tafelgesprek dat wij in een zijstraatje van de Utrechtsestraat hadden gevoerd. Wat Dick mij daar tussen 6 en 9 uur had verteld, was tot voor kort alles wat ik van Darwin wist. Op school had ik er bij biologie nooit iets over gehoord.

Nu krijg ik een enorme doos met acht oorspronkelijk Engelse en acht Nederlandse publicaties (zie kader op blz. 2). Ik heb heerlijk in die doos gezwommen, maar een herdrukje van Dicks boekje, in 1967 bij Born uitgegeven, en nergens meer te krijgen, had ik toegejuicht.

Trouwens: het artikel dat Maarten ’t Hart schreef in het meinummer van De Gids, ‘Een studie zonder evolutie’, raad ik u ook aan. Hij hoorde er in Leiden waar hij biologie studeerde nooit over. Arjen Mulder interviewde in datzelfde nummer van De Gids Eva Jablonka uit Tel Aviv die durft te morrelen aan het neo-darwiniaanse taboe om te denken aan de mogelijkheid dat een dier door zijn omgeving een veranderd gen kan krijgen en dat aan zijn kinderen kan doorgeven – het oude idee van Lamarck.

Niemand zal, zoals ik deed, die hele stapel van acht kilo, een halve meter hoog, en zestien miljoen woorden, willen lezen, maar ik genoot er wel van, behalve van de stripbewerking van Michael Keller, maar ik kan nu eenmaal niet een strip lezen.

Het mooiste Engelse boek is zonder enige twijfel de gefotografeerde herdruk van de allereerste uitgave van Darwins levenswerk, dat bij zijn verschijning op 24 november 1859 nog de titel Over de oorsprong van soorten had, terwijl de ontelbaar vele latere drukken en vertalingen dat voorzichtige eerste woordje over niet meer bezaten. De vijfhonderd bladzijden van dat Oorspronkelijke Boek staan op de helft van elke pagina in deze brede uitgave en James T. Costa gebruikt de andere helft van elke pagina voor uitleg, commentaar, nieuws, kritiek en verheldering. Als u echt Darwin en zijn oertheorie wilt leren kennen, moet u die duizend bladzijden lezen. Misschien zult u een enkele keer verheugd uitroepen: ‘Dat klopt niet!’, maar vaker klopt het wel.

Als een inwoner van Maastricht een gevonden oeroud lijkje naar Darwin opstuurt, dan noemt Costa die man een Belg. Maastricht ligt in Nederland. Dat beestje blijkt trouwens helemaal niet de gewenste ouderdom en vindplaats te hebben, maar dat doet er niet toe. Het tekent wel de manier waarop de wetenschapper Charles Darwin werkte. De enige andere Nederlander die ik in het boek zag aangehaald, is de vogelkenner Temminck, die de geografische verdeling van vogels graag gebruikte voor hun classificatie, iets waar Darwin op zijn eilandenreis soms wat slordig in was.

Darwin had geen laboratorium en geen assistenten, hij bedacht geen dingen waar nog niemand aan gedacht had, geen formules, geen genen, hij controleerde niet of wat die duizenden briefschrijvers hem vertelden klopte. Darwin was eigenlijk een alfa – wat geen belediging is. Darwin zou ik niet een genie willen noemen. Als je een alfabetisch rijtje wilt maken van wetenschapsgenieën dan zou ik tussen Aristoteles, Boyle, Copernicus, …, Einstein, Faraday, Galilei niet bij de letter D Darwin zetten, maar liever Descartes of Dalton.

Ook zonder Charles Darwin zouden we nu eenzelfde theorie over de evolutie bezitten, dat weet ik zeker. Dat wij elke halve eeuw een Darwinjaar vieren, komt doordat er tussen zijn geboortejaar en de publicatie van zijn boek precies vijftig jaar zit. Zijn enorme roem wordt vooral veroorzaakt door de woede van de christenen die liever in een schepper geloven. Trouwens: in die eerste druk heeft Darwin het ook over the Creator. Een handige dominee kan gewoon beweren dat de Schepper Darwin op aarde heeft gezet om de avonturen van de dieren ná de schepping te beschrijven.

Van de twee Beaglereis-vertalingen is die van Frank van der Knoop duidelijk de beste, alleen al omdat de andere vertaling met een derde is ingekort. Na zijn reis met de Beagle (Darwins boek is bijna zo mooi als de VPRO-serie) verwerft Darwin in Engeland een huis en een echtgenote. Elke dag van zijn verdere leven wordt gevuld met het lezen en schrijven van brieven. Hij wordt openlijk ongelovig, maar laat zich toch begraven in een abdij.

Adrian Desmond en James Moore schreven met Darwins nobele streven een spannend boek over rassen en slaven. Darwin zou door zijn afschuw van slavernij tot zijn idee van evolutie zijn gekomen. Mogelijk. De Nederlanders in Zuid-Afrika komen er niet goed af. Maar de passages over mieren zijn tamelijk fout en de aanname ‘wat voor één diersoort geldt zal altijd voor alle dieren gelden’ lijkt mij, zeker wat mieren en mensen betreft, onjuist.

Van de laatste twee Engelse boeken is De onbekende Darwin van Steve Jones fascinerend omdat het naast de onvermijdelijke vergissingen van Darwin toch een prachtig beeld geeft van zijn manier van denken.

Vervolg op pagina 2

class="subhead">Charles Darwin was eigenlijk een alfa

Over God, Darwin en natuur van Rudi Rotthier en Redmond O’Hanlon gaat alleen schijnbaar over Darwin en als roman over twee reisschrijvers vind ik het mislukt.

Nu de acht Nederlandse boeken. Dat van J.H. van den Berg vond ik het spannendst. Ik las het al in 1984 toen ik erg de pest had aan zijn metabletica. Van den Berg moet nu minstens 95 jaar oud zijn Over de flauwekul van zijn metabletica hoor je nooit meer, maar deze bespiegelingen over apen en Marx, crinoline en Flaubert, zijn, nu we hem niet meer serieus hoeven te nemen, zeer amusant.

Job Slok schreef een korte biografie van Darwin en maakte een mooie selectie van zijn correspondentie met Nederlanders. Van de 15.000 brieven die Darwin schreef, waren er vijftig aan Nederlanders. Janneke van der Heide schreef een proefschrift over de Darwin-ontvangst in Nederland tussen 1859 en 1909. Had natuurlijk een eeuw geleden moeten verschijnen, maar het blijft spannend om te zien hoe Darwin bekeken werd. Precies een eeuw geleden was er net zoveel aandacht als nu.

Bart Leeuwenburgh laat in Darwin in domineesland zien hoe de negatieve christelijke reacties tussen 1859 en 1877 allemaal verschillend waren. Ondanks de titel werd er ook van katholieke zijde wel degelijk harde actie tegen Darwin gevoerd. Taede Smedes komt met een tamelijk komische oplossing voor het conflict tussen godsdienst en wetenschap: God én Darwin (ook de titel van zijn boek). De Bijbel troost ons en de gedachten van de evolutie zijn er niet mee in strijd. Daar schieten we niets mee op. Moeten we alle oude godsdiensten overeind blijven houden, wat de wetenschappen ons ook leren? Misschien wil Smedes op die manier godsdienstige lezers dichter bij Darwin brengen, maar het nut van Darwin is nu juist om de gelovigen te genezen van hun simpele ideeën.

De wetenschapsfilosoof Buskes, de psycholoog Hovius en de filosoof Vandermassen schreven een lezenswaardig boek over Darwins leven, zijn theorie en de maatschappelijke opschudding die hij veroorzaakte (In Darwins woorden). Het aardigste Nederlandse Darwin-boek vind ik dat van Marc van Roosmalen, die vorig jaar veel aandacht kreeg voor zijn boek Blootsvoets door de Amazone. De evolutie op het spoor. Van hem hoorde ik voor het eerst dat elke apensoort zijn eigen plantensoort eet en dat je daardoor de samenhangende evolutie van apen en planten kunt ontdekken. Dieren zijn plantenzaadknechten! Terwijl alle apenbiologen apen bestuderen in totaal onaapse omgevingen en dan in hun dierentuinen onderzoeken of apen kunnen rekenen en tekenen, en of ze iets snappen van moorden en woorden, ging Van Roosmalen naar Brazilië waar hij nieuwe apensoorten en totaal nieuwe apenbezigheden ontdekte en beschreef, zonder ze lastig te vallen met onze mensenactiviteiten. Wie apen wil begrijpen, moet verhuizen en bij apen proberen te wonen. De meeste apenbiologen proberen ten onrechte apen tot mensen te maken.

Ik denk dat ook Darwin Roosmalens vondsten het mooist zou vinden, al zie ik de Britse heer niet zo gauw in zijn eentje blootsvoets door de Amazone waden. Een televisieserie over de Nederlandse schoenloze bioloog midden tussen de apen in Apenland zou ik graag zien, maar dan wel met een televisiecamera vanaf de maan.

Het laatste hoofdstuk van Blootsvoets bevat een serie vragen die Van Roosmalen aan de Belgische filosoof Johan Braeckman wil stellen. Wilde Darwin een soort Newton zijn? Stammen alle levende wezens af van één enkele cel? Heeft de menselijke evolutie een einde? De antwoorden doen mij soms denken aan het gebazel van onze metabletieker J.H. van den Berg, maar ik verwacht dat de man of vrouw die door ons nageslacht over een eeuw de hemel wordt ingeprezen als beste evolutiegeleerde zal lijken op Van Roosmalen en op Van den Berg. Jammer dat wij het jaar 2109 niet mee zullen maken. De eeuw is uitgevonden om ons onze kleinheid duidelijk te maken. De mens leeft kort en dat akelige feit bepaalt zijn denken, hopen en leven.