Het jongetje met de rode muts

„Het is me gelukt”, dacht hij, „voortaan zal in alle boeken staan: vanaf Kerstmis werd Ebenezer Scrooge een goed mens.” Slaagt Scrooge, de vrek uit Charles Dickens’ verhaal ‘A Christmas Carol’, er werkelijk in zijn voornemen in praktijk te brengen?

Goed. Marley was dus dood – zo dood als een pier – en de ouwe vrek Ebenezer Scrooge was die nacht door zo’n godgeklaagd aantal spookbezoeken geplaagd, dat hij inmiddels sterk overwoog zijn leven te beteren. Fraai was het namelijk niet wat de verzameling geesten hem spokend en wel had voorgespiegeld: zou hij doorgaan met zijn onmenswaardige gedrag, dan kon hij er gif op innemen dat de goegemeente blootsvoets zou dansen op zijn zelf gedolven graf, om over de liters te plengen urine nog maar te zwijgen. Het exacte bezwaar daartegen kon Scrooge weliswaar niet onder woorden brengen, maar feit was dat hij met een knagend geweten terugdacht aan het beschamende tafereel van de voorgaande dag, waarbij hij zoals gebruikelijk zijn trouwe werknemer Bob Cratchit goed de huid had vol gescholden. Stotterend en stamelend had de knettergekke sukkelaar hem gesmeekt om een vrije dag tijdens de Kerst, daarbij met trillende stem het ene na het andere onzakelijke argument ten beste gevend: vooral de matige gezondheid van zijn ondervoede, kreupele, aan polio lijdende zoontje Tiny Tim leek de altijd professionele Scrooge bijzonder weinig steekhoudend.

Maar dat was gisteren. Ondanks een doorwaakte nacht was de misantroop vanochtend na enkele dappere pogingen voor het eerst in jaren met een tamelijk goed been uit bed gestapt en met de mouw van zijn kamerjas veegde hij nu de slaap uit zijn ogen en de condens van de ramen. Zoals men moet weten, bevond zich voor zijn riante huis een sprookjesachtig wit gesneeuwd plein en door het venster kon de oude man zien hoe hollende hordes jonge jongens druk doende waren grote bollen voor zich uit te rollen. Hij zag hoe een buurvrouw hun bij wijze van neus wat overrijpe winterpenen toestopte, die door de uitgemergelde kinderen zo gauw als zij konden met veel smaak naar binnen werden gewerkt. Hoofdschuddend keek hij toe hoe in onmodieuze lompen gehulde mannen en in kopvodden gestoken vrouwen zich verdrongen rond de door chagrijnige nonnen uitgedeelde hompen brood. De eeuwige buurtsuperdakloze probeerde zijn bedelpraktijk op te krikken door iedereen monotoon gelukkige dagen te wensen en voor het eerst sinds eigenheugenis betrapte Scrooge zich op ontroering bij het horen van de klanken van een koortje onvrijwillig ongehuwde vrouwen. „Het is voorbij”, dacht Scrooge tevreden. „Het juk van mijn nukken heb ik afgeschud, ik ben het cynisme voorbij. Vanaf nu zal ik mijn medemens behandelen zoals dat hoort, ik zal de collectanten geven wat zij verdienen en ik zal de behoeftige jeugd met mijn wijsheid en rijkdom overladen. Samenvattend: ik word een goed mens.”

Dat gedacht hebbende, deed de oude man iets wat hij nooit van zichzelf had kunnen vermoeden: hij grabbelde alle moed bijeen, opende vol vertrouwen zijn ramen, zoog de koude lucht zijn longen in en liet met aangezet enthousiasme een welgemeend en even welluidend „vrolijk kerstfeest!” langs zijn lippen komen. „Vrolijk kerstfeest!” galmde het een ogenblik nog na en stomverbaasd staarde de menigte hem aan. Een onwerkelijke stilte hing nu boven het plein. Blikken werden gewisseld, vraagtekens stonden op gezichten. Opnieuw boog Scrooge zich naar voren, hij nam een diepe teug adem, hij maakte zich klaar om vol geestdrift een alternatieve versie van zijn kerstwens op te dreunen, toen hij plots werd onderbroken door een welgemikte sneeuwbal die hem recht tussen de ogen raakte.

Wég stoof een piepklein ventje met een knalrood mutsje. Haastig verdween hij tussen de benen van de massa en bijna was Scrooge weer de oude: hij veegde het ijs uit zijn wenkbrauwen en priemde met een knokige vinger naar het joch. „Als jij ooit in mijn klauwen komt...” dreigde hij, maar nadat een reeks eventuele martelingen de revue had gepasseerd, verwierp hij die voornemens al snel. Per slot van rekening zou hij dat ellendige kind nooit meer zien, meende hij. „Een zálige Kerst!” hernam hij zich. Diep weggestoken in hun kragen dachten de mensen er het hunne van.

Toen Scrooge zich even later had gewassen, zich had aangekleed en er zodoende weer op z’n paasbest uitzag, galmde in de hal het klokkenspel van de voordeurbel. Van andere jaren wist hij dondersgoed wat dat betekende: klein grut zou op de stoep staan en met kwelende stemmen een of ander kerstlied aanheffen, daarbij niet afgeleid door het ostentatief zuchten en steunen van de heer des huizes. Nooit had hij de aandrang gevoeld hun iets te geven, maar nu stoof hij erheen, zijn armen gevuld met stapels snoepgoed. Onhandig opende hij de deur en toen die eenmaal open zwaaide en hij daar met een welwillende grijns klaarstond, hoorde hij niks, zag hij niemand. Beteuterd keek hij heen en weer, turend door de straat. Niemand. Niemand? Nee, verscholen achter een smalle boom, zag hij opnieuw dat rode mutsje van het kleine kereltje, dat zijn valse gelach slechts met moeite voor zich kon houden. Traag schudde Scrooge zijn hoofd, weer priemde hij met zijn wijsvinger, maar zuchtend liet hij het voor wat het was en met zijn cadeaus keerde hij onverrichter zake terug naar binnen.

Hij dacht aan het kind van zijn enige personeelslid Bob Cratchit, die nu ongetwijfeld behaaglijk omringd door het hele gezin rond de kerstboom zou zitten. Tiny Tim, de arme ziel die door zijn vader werd gebruikt als argument voor een dag verlof. Ondervoed, kreupel en aan polio lijdend, dat was verdomd niet mis, begreep inmiddels ook Scrooge. Hij had met hen te doen, zeker nu tot hem doordrong voor wat een hongerloon hij de man zijn vuile werk liet doen. Er zat maar één ding op: de allereerste stap na Kerst zou een fikse opslag zijn, besloot Scrooge, maar al snel overviel hem het gevoel dat dat bij lange na niet genoeg zou zijn om zijn gedrag van al die jaren goed te maken. Die arme man verdiende een groot cadeau en na enig denkwerk trok Scrooge zijn jas aan, verliet hij zijn huis en ging hij op zoek naar de beste slager van de stad.

Met een joekel van een kalkoen verliet hij kort daarna de winkel, nagestaard door een ongelovige slager die driftig zijn geld natelde. Scrooge floot zelfs een heus kerstlied, en hij moest er zelf om grinniken toen hij ontdekte dat hij met veel talent voor anachronisme bezig was met het overbekende Last Christmas. Ach, dacht hij, wat gaf het? Het voelde goed, nu hij op weg was zijn leven te beteren. Maar hij wist ook: zolang niemand ervan wist, was zijn ommezwaai niets waard. Het kwam er nu op aan dat het erkend zou worden, dat het van de daken geschreeuwd zou worden: „Ebenezer Scrooge is veranderd! Ebenezer Scrooge is een goed mens geworden! Groet hem in het voorbijgaan, want Ebenezer Scrooge deugt!”

Voorlopig was het echter nog lang niet zover, want opnieuw liep de voormalige vrek het ettertje met het rode mutsje tegen het lijf. In een vluchtige oogopslag leek hij slechts bezig zijn vriendjes op te jutten tot het werpen van grote keien naar een sneeuwpop, maar Scrooge kreeg een steek in zijn maag toen hij zag wat het moest voorstellen. De gelijkenis was angstaanjagend treffend: op zijn sneeuwpoppengezicht stond een ontevreden grijns, de sneeuwpop droeg een identiek kostuum als het zijne en de met kiezelstenen gelegde tekst liet bitter weinig aan de verbeelding over: „Ebenezer Scrooge” stond er, met voorop zijn geboortedatum en daarna de dag van vandaag.

Hij moest zich niet laten kennen, wist hij, maar weer hief hij onwillekeurig zijn hand, gromde onherhaalbare verwensingen en zwoer dat dit de allerlaatste keer was dat hij het erbij liet zitten. Zou dat vreselijke ventje nog één keer iets uithalen, dan was dat voor hem voldoende bewijs dat de wereld doortrapt was, niet deugde en er uitsluitend op uit was hem – Ebenezer Scrooge – te demoniseren. Nog één keer zo’n aanvaring met die etterbuil en hij zou alle goede voornemens laten varen. Sterker nog: als dat minimonster het waagde om hem nog één keer voor schut te zetten, dan nam Scrooge zich voor om nog vele malen harder tekeer te gaan dan hij ooit had gedaan. Iedereen zou hij uitknijpen, kaalplukken en uitbuiten. Niemand zou hij nog sparen, niemand zou nog veilig zijn voor de meedogenloze praktijken waarvoor hij zo ontstellend veel talent bezat. Zo, dat dreigement luchtte op.

Met een bewonderenswaardig doorzettingsvermogen vervolgde Scrooge zijn weg. Het gewicht van de gigantische kalkoen begon zijn tol te eisen aan de oude spieren, maar hij was er bijna. Die arme Bob Cratchit, bedacht hij, moest deze weg elke dag afleggen, voor dag en dauw, bij tij en ontij, dus wat zou hij nu toch zeuren? Bovendien: met in het achterhoofd het leed van Tiny Tim viel elk praktisch ongemak volledig in het niet. Ondervoed, kreupel en lijdend aan polio, dat was wat Bob Cratchit had gezegd over zijn zoontje. Het ging boven ieders voorstellingsvermogen, maar de kinderloze Scrooge vermoedde dat zo’n zoon zijn ouders veel zorgen geeft. Ach, hij was allang blij dat hij – zij het een tikkeltje onbeholpen – eindelijk een beetje verlichting kon brengen in deze doffe ellende.

Daar stond hij dan ten slotte, voor de deur van het huis van zijn werknemer. Het was groter dan hij verwacht had, dat moest gezegd. Aan de deur hing een vergulde klopper, die hij optilde en met veel kabaal weer neer liet komen. Een hoop gestommel en gedoe vulde de ruimte achter de deur en toen die na veel rumoer eindelijk geopend werd, keek de weldoener zoals verwacht in de wijd opengesperde ogen van Cratchit. „Een vrolijk kerstfeest”, glimlachte Scrooge vriendelijk en zonder al te veel show haalde hij de kalkoen tevoorschijn. Het ging allemaal goed komen, voelde hij. Zijn hele lijf tintelde: „Het is me gelukt”, dacht hij, „voortaan zal in alle boeken staan: vanaf Kerstmis werd Ebenezer Scrooge een goed mens.”

„Pahap!” klonk het toen zeurend vanachter uit de donkere gang. „Mijn zoontje”, stamelde Cratchit verlegen. Scrooge knikte en riep gemoedelijk naar het duister: „Het is goed volk! Laat je maar zien, Tiny Tim...” En schoorvoetend kwam hij aanzetten: een klein ventje met een vuurrood mutsje.

    • Oscar Kocken