Herontdekt bloemstilleven Leyster toont haar aanleg

File name: 3037-001.jpg Judith Leyster (Dutch, 1609 - 1660) Self-Portrait, c. 1632-1633, oil on canvas Overall: 74.6 x 65.1 cm (29 3/8 x 25 5/8 in.) framed: 97.5 x 87.6 x 9.2 cm (38 3/8 x 34 1/2 x 3 5/8 in.) National Gallery of Art, Gift of Mr. and Mrs. Robert Woods Bliss, 1949.6.1

Tentoonstelling Judith Leyster; de eerste vrouw die meesterschilder werd. Frans Hals Museum, Haarlem. T/m 9/5. Inl.: www.franshalsmuseum.nl. **

Nog maar zestien jaar geleden organiseerde het Frans Hals Museum een expositie over de zeventiende-eeuwse Haarlemse schilderes Judith Leyster. Naar aanleiding daarvan noteerde dichter en dagboekschrijver Hans Warren op 5 juni 1993 in deze krant: ‘Judith Leyster, hoe interessant ook, blijft een figuur van de zoveelste garnituur en is volstrekt ondenkbaar zonder Frans Hals. Slap, spanningloos […]. Onder haar gezichten zit geen schedel, onder haar figuren geen lichaam’.

Wat betreft de substantie van Leysters figuren had Warren een punt, dat hij ook kon maken omdat Leysters werken destijds waren opgehangen naast die van tijdgenoten als Hals en haar echtgenoot Jan Miense Molenaer.

De huidige presentatie, ter gelegenheid van Leysters 400ste geboortejaar, is teleurstellend klein. Met welgeteld elf werken, alleen van Leyster zelf, is ruim de helft bijeengebracht van het oeuvre dat tegenwoordig aan haar wordt toegeschreven. In ieder geval word je er niet voortdurend toe verleid vergelijkingen te maken met de virtuositeit van haar mogelijke leermeester, Frans Hals. De oppervlakkigheid van haar figuren is misschien te wijten aan het feit dat het haar als vrouw niet was toegestaan studies naar naaktmodellen te maken. Toch is dat voor Leyster geen reden geweest om zich – zoals veel andere vrouwelijke kunstenaars van haar tijd wèl deden – louter toe te leggen op genres als het portret of het stilleven. De geëxposeerde werken tonen haar vaardigheid in het maken van levendige composities met gewaagde licht-donker effecten in de vorm van scherpe slagschaduwen.

Topwerk is het zelfportret dat Leyster omstreeks 1633 maakte. Ze zit voor de schildersezel, in een houding die ze voor haar figuren vaker gebruikte. Nonchalant leunt ze naar achter. Zondagse kleding met kanten kraag vervangt haar schilderskloffie, en het schilderij waaraan ze bezig is, toont een opgewekte fiedelaar van het slag waarin Leyster excelleerde.

Als eerste vrouwelijke kunstenaar trad Judith Leyster in 1633 toe tot het schildersgilde. Een verklaring van de geringe omvang van het oeuvre dat nog van haar hand bekend is, kan zijn dat ze al drie jaar later trouwde met Jan Miense Molenaer en zich daarna grotendeels heeft gewijd aan de zorg voor man en minstens vijf kinderen. Maar gezien haar talent en overduidelijke ambitie ligt het meer voor de hand dat Leyster heeft doorgewerkt onder de vlag van het Molenaer-atelier.

In elk geval zijn er van na haar huwelijk slechts enkele, in de jaren 1630 en ’40 door haar gesigneerde werken bekend.

Daar is een onlangs herontdekt bloemstilleven bijgekomen, dat is voorzien van het jaartal 1654 en een signatuur van Judith Leyster, die daarin de familienaam van haar man gebruikt. In de losse, maar trefzekere penseelstreken die haar stijl kenmerken, is een Chinese vaas geschilderd met daarin een bont en gevarieerd boeket. De expositie benadrukt dat dit schilderij hoogstwaarschijnlijk het ‘blompotje van Juffr. Molenaer’ is dat wordt vermeld in de boedelinventaris die in 1668 bij het overlijden van Jan Miense werd opgemaakt. Hoewel het in de zeventiende eeuw niet ongebruikelijk schijnt te zijn geweest getrouwde vrouwen aan te duiden met ‘juffrouw’, lijkt de identificatie van het opgedoken schilderij met het gedocumenteerde werk al te enthousiast.

Aan het schilderij, dat ruim twintig jaar na haar huwelijk tot stand is gekomen, is te zien dat dit niet het eerste, en waarschijnlijk ook niet het laatste, ‘blompotje’ is geweest dat mevrouw Molenaer heeft geschilderd.

    • Bram de Klerck