Hemeltergend saai

Het probleem van Beste reiziger zit vooral in de stijl.

Soms lijkt de roman wel een spreekwoorden- en gezegdengids.

Door Arie Storm

De roman Beste reiziger van Philibert Schogt is gebaseerd op een idee. Je leest weleens over ideeënromans, maar het is overdreven om dat overigens verderfelijke genre met Beste reiziger in verband te brengen. Want idee is in dit geval bij nader inzien wel een erg groot woord, er is eerder sprake van een ideetje. Iets geinigs, een gebbetje. En dat begint al bij de titel. Max Vermeer, de vertellende hoofdpersoon, is van beroep reisgidsschrijver. Een luie reisgidsschrijver bovendien, want in plaats van dat hij werkelijk de een of andere bezienswaardigheid bezoekt, googelt hij liever gezeten op het zonnige dakterras van zijn hotel zijn informatie bij elkaar, genietend van ‘een koele witte wijn’. Welke gezonde Hollandse jongen drinkt er nu koele witte wijn? Bier willen we hebben! Maar goed. Max is een enorme ouwehoer die ons voortdurend aanspreekt met ‘beste reiziger’. Hij doet net of hij voor ons een reisgids schrijft, daarbij bekent hij dat hij een oplichter is en aan het eind van Beste reiziger blijkt hij ons inderdaad iets op de mouw te hebben gespeld. Dat is de grap van dit boek, het ideetje erachter, de joke, meer kunnen we er niet van maken.

Dat zou allemaal niet zo erg zijn als het schrijven zélf met verve was gedaan. Hier gaat iets wringen; het boek is nauwelijks om doorheen te komen. Slecht schrijven heeft niet direct met taalfouten te maken, die in Beste reiziger overigens ook zijn aan te wijzen. Slecht schrijven heeft met dufheid te maken, met lusteloosheid, met saaiheid. Een foutje op zijn tijd is heerlijk, maar duf, lusteloos en saai… Dat is funest. Nu is Max een duffe, lusteloze en saaie jongen, dus je zou kunnen zeggen dat vorm en inhoud hier weer eens één zijn. Maar van dat soort belegen ideeën over vorm en inhoud moeten we nu maar eens af, want het resultaat blijft gewoon hemeltergend saai, hoezeer dit binnen de constructie van het boek misschien ook klopt en hoe saai het allemaal misschien ook is bedoeld. Met auteursintenties heb je als lezer niets te maken, want niet de auteur, maar jij moet het boek lezen, en in het geval van Beste reiziger ben je wat dat betreft lelijk in de aap gelogeerd.

Wat maakt dit boek zo suf? De stijl ervan. Soms lijkt het wel een oud-Hollandse gezegden- en spreekwoordengids in plaats van een roman. Misschien wordt hiermee de toon van de gemiddelde reisgids geparodieerd, maar dan zitten we er nu wel mooi mee, en ik merk dat het besmettelijk is, want ik heb het ook meteen (zie hierboven) over ‘op de mouw spelden’ en ‘in de aap gelogeerd zijn’. Max is voortdurend ergens de vruchten van aan het plukken terwijl hij een luizenleventje aan het leiden is. Op een gegeven moment valt er iets voor, namelijk een vrijpartij met collegaatje Linda, en dat voorval gaat hem niet ‘in de koude kleren’ zitten, sterker: hij is ‘volledig van de kaart’. Voor haar blijkt alles daarna weer snel ‘een afgesloten hoofdstuk’ te zijn. En dan zit Max met de gebakken peren.

Er ligt een deken van meligheid over deze roman. Twee voorbeelden. Max heeft het over de kenmerkende geur van Ierland en hij heeft het over een kitschsouvenir dat die geur van een ouderwets turfvuur kan imiteren. De meeste lezers van de door hem geschreven reisgids zouden hun neus, zo schrijft hij stijlvast, daar natuurlijk voor ophalen, maar geur doet wel aan het verleden denken; voor Max, en daar gaat het om, is het echter nog te vroeg om terug te blikken, of, zo voegt hij daar grappenmakend aan toe, ‘terug te snuiven’. Tweede voorbeeld. Zelfs in de vieze industriestad Swansea waant Max zich met Linda ‘Adam in het aardse paradijs, met Eva aan zijn zijde’. En waar gaat dat op uitdraaien? Max vult het helemaal voor ons in: ‘Rein en onschuldig. En later die avond ook naakt.’ Jeetje.

De dialogen zijn van een vergelijkbare uitleggerigheid. Elke vraag wordt keurig beantwoord, niemand zegt ooit iets origineels en er is sprake van verbazingwekkend veel uitroepen. Ook de spreekwoorden komen weer langs. ‘Dat je dat durft! Ben je niet bang dat je gesnapt wordt?’ ‘Zolang de feiten kloppen, loop ik weinig gevaar. Niet dat ik mijn werkwijze aan de grote klok ga hangen, of zo’. Kortom: we zijn inmiddels in een kinderboek uit de jaren vijftig van de vorige eeuw beland. En de personages gaan prompt dingen zeggen die dat beeld compleet maken. ‘Nu heb je door mij de boot gemist.’ ‘Nee hoor. Het was toch al kielekiele.’ ‘Wat nu?’ ‘Er gaat er nog eentje om drie uur ’s morgens’. En zo gaat het maar door. Hemeltje! Philibert Schogt! Wat ís dit? O, nu begrijp ik het. De naam Max is een verwijzing naar die bejaardenomroep. Ook daar is, let op, hier komt er weer een, oubollige nostalgie troef.

Philibert Schogt: Beste reiziger. De Arbeiderspers, 180 blz. € 16,50 **