Gelukkig ben ik niet gehersenspoeld door prinsessenbeschuit

Schrijver. Auteur van onder meer ‘Het geheim van de stoere prinses’, ‘Aangespoeld’, ‘Alles kookt over’ ‘Post uit oorlog’ (met Wouter Woltz) (Leopold), ‘Overleven in 4B’ (Nijgh & Van Ditmar).

Als kind bezat ik geen roze prinsessenjurk met glitterende elfenvleugels. Wel droegen mijn zusje en ik matchende truien en leggings van C&A. De leggings hadden zo’n elastiekje onder de voet en waren net als de truien zwart met gifgroene, oranje en paarse bloemen.

Als kind ging ik nooit tweeëntwintig dagen op gezinsgroepsreis naar Costa Rica om zeeschildpadden, vulkanen en nevelwouden te zien (8.710 euro voor twee volwassenen en twee kinderen). Wel kampeerden we op terreinen zonder animatie, in degelijke tenten die tot de nok toe gevuld waren met oorwurmen.

Volgende week word ik achtentwintig en eigenlijk kan ik de vraag niet beantwoorden of ik liever wil opgroeien in mijn eigen jaren 80 en 90 of in deze tijd. Ik ben namelijk van plan om het allebei te doen.

Ik schrijf kinderboeken. Dat betekent dat ik de helft van mijn werktijd leef als elfjarig meisje dat in 2010 met behulp van sms’jes en internet een boevenbende moet oprollen. De rest van de tijd bezoek ik basisschoolklassen door het hele land en ontmoet ik een flink veel bonter gezelschap kinderen dan toen ik zelf tien was.

Een zwarte school in Rotterdam bijvoorbeeld, waar de kinderen vragen voor me hebben bedacht. De witte bibliothecaresse waarschuwt me van tevoren bevend voor de vraag: ‘Naait uw oma wel eens?’ Een gereformeerde school waar ik niet over indianen mag vertellen omdat die meerdere goden vereren. Volendamse klassen die me onbewogen aanstaren en alleen lachen wanneer ik hun dialect niet versta.

Ik ben misschien geen tien meer, maar ik lééf wel nu. De mooie dingen van deze tijd, de handige, de krankzinnige en de interessante – ik kan er als twintiger allemaal van profiteren. Daar hoef ik geen kind voor te zijn.

Maar als ik toch echt moet kiezen wanneer ik zelf het liefste wil opgroeien, dan kies ik zonder aarzelen voor mijn eigen tijd. In de eerste plaats omdat ik de risico’s van de andere keuze te groot vind: God weet wat voor mens ik zou worden als ik was geboren in het jaar 2001.

Ik moet beschaamd bekennen dat mijn keuze verder gebaseerd is op ouderwetse overwegingen die prima zouden passen bij een achtentachtigjarige. Ik ben namelijk blij dat ik niet in sms-taal schrijf en dat er nooit een smiley in mijn mailtjes staat. Ik ben blij dat ik als peuter niet gehersenspoeld ben door reclamespotjes voor prinsessenbeschuit, dat pesten bij ons niet digitaal gebeurde en dat jongens in mijn tijd geen naaktfoto’s van hun dertienjarige ex op internet zetten.

En eigenlijk vind ik het ook wel fijn om niet nu te zijn opgevoed door verwende ouders uit de jaren 70 en 80 die kampen met dertigerdilemma’s en keuzestress en die hun eigen ontwikkeling soms stiekem net wat belangrijker vinden dan die van hun kinderen. Ouders die bijvoorbeeld de ouderraad bevolken van de dorpsschool in Drenthe waar ik vorige week op bezoek was. Verlekkerd waren de moeders daar bezig om het ideale MTV-kerstdiner te organiseren voor hun kroost: de kleuters zouden de school betreden via een rode loper en opgewacht worden door fotografen. Hun kerstdiner van kipnuggets en minifrikadellen werd voor duizend euro gecaterd. Ik probeerde niet te denken aan andere manieren waarop een basisschool zo’n bedrag kan besteden.

Ik geef toe: het zijn de overwegingen van een bejaarde cultuurpessimist. Meestal ben ik niet zo conservatief – als schrijver en ondernemer ben ik dolblij met Google, e-mail en mobieltjes – maar de digitale ontwikkelingen van het moment maak ik toch echt liever mee als volwassene dan als tienjarige. Ik kan beoordelen welke foto’s vrolijk op Hyves kunnen en welke snapshots privé moeten blijven. Ik heb nooit de neiging om mijn T-shirt uit te trekken voor een vreemde webcam. En ik overweeg niet meteen om zelfmoord te plegen wanneer mensen online gemeen tegen me doen.

Het heeft absoluut voordelen om te leven op het breukvlak van twee tijden, zoals mijn generatie doet. Wij zijn kind geweest in een niet-digitale wereld maar voelen ons nu helemaal thuis in de digitale. Als historicus vind ik het geweldig dat ik altijd zal weten hoe het is om zonder mobieltjes en internet te leven; de wezentjes die nu geboren worden, zullen werkelijk moeite hebben om zich dat voor te stellen.

Ik kan eigenlijk maar één reden bedenken waarom ik liever in 2000 had willen starten. Ik ben niet erg tevreden met mijn eigen generatie en ik vind het jammer dat de weinig inspirerende tijdgeest van de jaren 90 ook mij heeft beïnvloed: mijn cynisme staat bijna elk idealisme in de weg en ik heb het, lang voordat ik groot was, opgegeven om de wereld te redden. Soms knaagt dat hard: moet ik niet veel meer doen voor al die andere levens? Ik kom nooit in actie.

Is het mogelijk dat de vijfjarigen van nu straks wél hoopvol en begeesterd de wereld willen redden? Dat ze zich virtueel verenigen en zich dan heel reëel gaan inzetten voor ons allemaal? Als dat het geval is, dan ben ik wel degelijk jaloers op de kinderen van nu. Gecombineerd met idealisme zou ik smileys en een paar verdwaalde naaktfoto’s misschien wel voor lief nemen.

Maar ik ben cynisch. En ik betwijfel het dus of de kinderen uit de jaren nul ons gaan redden. Kan een hele generatie hoop ontlenen aan prinsessenbeschuit?