Geloof in goden, waarom is dat zo succesvol?

Auteur Franca Treur werd van overtuigd creationist aarzelend een atheïst.

Nu zoekt ze naar een verklarende theorie voor alle aspecten van godsdienst.

Kerstmis volgens de kalender en Nederland kruipt weer onder de warme deken van herdertjes bij nachte en het kindeke in het stro. Als ex-christen kan ik maar weinig met Kerst.

Ik was twintig toen ik in een propvolle kerk belijdenis deed van mijn onbetwijfelbaar christelijk geloof, en ik was tweeëntwintig toen ik de kerkeraad meedeelde dat ik uit de kerk wilde stappen, omdat ik het allemaal niet meer onderschreef.

„Maar je kunt helemaal niet weg”, werd mij gezegd. „Je hebt een belofte voor het leven gedaan.” Ik probeerde uit te leggen dat die belofte me speet, maar dat die de zaak niet echt kon veranderen. Toen ik in mijn uitleg niet slaagde, heb ik het cassettebandje van de dienst nog eens nageluisterd. Op het moment dat mijn ja had moeten klinken, hoor je alleen iemand heel hard hoesten.

Van overtuigd creationist werd ik aarzelend een atheïst. Van al mijn oude zekerheden deed ik afstand. Ik had ontdekt dat God een product van mensen is en dat religie iets van mensen is. Geloven in een werkelijk bestaande God werd voor mij onmogelijk.

Voorafgaand aan die ommekeer kleurde mijn godsdienst mijn blik op de wereld volledig. Ik was op aarde om de God, die mij het leven gaf en spaarde, te loven en te prijzen. Niet in de laatste plaats voor het feit dat Hij voor mij een gelovig gezin had uitgekozen. En gelukkig ook nog een van precies de goede denominatie in het hele scala aan afsplitsingen die het protestantisme rijk is.

Inmiddels is religie voor mij een fenomeen geworden waar ik met een helikopter overheen kan vliegen om het eens van een afstandje te bestuderen. Ik zal niet zeggen dat mijn blik niet meer gekleurd is, maar ik wil hiermee aangeven dat ik vanuit het raampje van de helikopter alleen nog maar naar beneden kijk en niet langer naar de hemel.

En wat zie ik dan? Dat het niet waar is wat ik vroeger altijd dacht: dat (op de Biblebelt en het zendingsveld na) niemand meer echt in God gelooft. Het is precies andersom: op bijna de hele wereld geloven mensen juist wel. De vraag is: waarom doen ze dat?

Omdat God zich actief met de mensen bemoeit, zeggen gelovigen triomfantelijk. Maar voor een actieve God bestaan geen bewijzen en er is geen reden om er één te veronderstellen tot het tegendeel gebleken is. Goden zitten in de hoofden van mensen, niet op een troon in de hemel. Daarom zijn er ook zoveel van.

Terwijl ik op zoek ga naar een ander antwoord, word ik gewaarschuwd door filosoof Herman Philipse: „Sinds de pre-Socraten denken mensen na over de verklaring van godsdienst, maar meestal wordt de complexiteit van het probleem onderschat.” Hij waarschuwt voor een te snelle algemene conclusie ‘die louter geënt is op de karakteristieken van een vertrouwde, lokale religie’.

Ik moet dus oppassen dat ik niet te veel redeneer vanuit het bevindelijk gereformeerde geloof dat ik van huis uit ken. Toen ik daarvan afscheid nam, kreeg ik veel reacties van gelovigen. Die waren ongeveer allemaal hetzelfde: geloof je dan niet meer dat er leven is na de dood? Waar leef je dan voor? Uit deze reacties zou ik gemakkelijk de conclusie kunnen trekken dat godsdienst een poging is om zich met de dood te verzoenen, door een leven na de dood aan te nemen. Maar die verklaring voldoet niet: niet elke godsdienst kent een aantrekkelijk hiernamaals.

Volgens Philipse zou je een verklarende theorie moeten hebben die alle aspecten van godsdienst omvat. Dus globale én lokale kwesties, mentale mechanismen in een individu én mechanismen in groepen enzovoort. Zo’n theorie is volgens hem alleen maar mogelijk als wetenschappers van verschillende disciplines samen in de weer gaan met het uit ieder vakgebied meegebrachte empirische materiaal en de eventueel bruikbare verklarende modellen. En dat zou volgens hem eerder een ‘strijd der faculteiten’ opleveren dan een geslaagde theorie.

Maar wat zijn tot nu toe de meest gangbare verklaringen?

Religie is zo succesvol omdat ze troost biedt, wordt vaak gezegd. En omdat ze de saamhorigheid in groepen bevordert, en ons verlangen bevredigt naar de vraag waar we vandaan komen en waartoe we op de wereld zijn. Maar als troost de verklaring is voor religie, dan is het de vraag waarom ons verstand eigenlijk is geevolueerd. Want stelde ons verstand ons niet in staat om de overtuigingen waaruit we troost putten weer om zeep te brengen?

Dat mensen bepaalde geloofsovertuigingen aangenaam vinden, is geen ultieme verklaring. Want hoe komt het dat mensen met zo’n voorkeur voor geloofsovertuigingen meer nakomelingen hebben gekregen dan mensen zonder zo’n voorkeur? Dat is een probleem als je bedenkt dat religie soms ook veel stress en ongemak veroorzaakt. Schuldbesef, om maar een kenmerk te noemen van het mij zo vertrouwde bevindelijk-gereformeerde geloof. En: jezelf altijd moeten wegcijferen. Niet bepaald eigenschappen waarmee je het wel zult redden in de ratrace. En wat te denken van het in sommige religies zo gewaardeerde martelaarschap?

Nee, het gaat om groepsselectie, zeggen sommige wetenschappers. Krijgers die in het paradijs geloven na hun martelaarsdood vechten dapperder en helpen zo hun stam te overleven. Maar stel je in zo’n stam een paar krijgers voor die liever een beetje achteraan gaan staan dan dat ze zichzelf opofferen. Hebben zij niet een veel grotere kans om te overleven en om hun genen door te geven?

Als je voor een darwinistische verklaring gaat, is het ook mogelijk om, zoals Richard Dawkins doet, religie te zien als een bijproduct van iets anders. Zijn redenering is als volgt: mensen kunnen leren van de ervaringen van voorgaande generaties. Er is een selectievoordeel voor kinderen die niet zelf hoeven te ervaren dat zwemmen in een krokodillenpoel of het eten van onbekende rode bessen gevaarlijk is. Daarom zijn kinderhersenen veelal uitgerust met de volgende vuistregel: vertrouw blindelings, zonder vragen te stellen, op wat volwassenen je vertellen. Een waardevolle regel, in de meeste gevallen. Met als onbedoeld gevolg dat ook religie van generatie op generatie wordt doorgegeven.

Veel mensen vinden dat Dawkins de religie hiermee tekort doet. Ik vind het zelf helemaal niet zo’n gekke theorie. Het doet me denken aan de kerk waar ik vandaan kom. Daar zorgt het geloven op gezag, samen met de afwijzing van voorbehoedsmiddelen, voor het voortbestaan van het kerkverband. Zonder meer geloven, terwijl je het met je verstand niet kunt vatten, wordt er als de grootste deugd gezien. Kritische vragen zijn een uiting van je eigen twijfelmoedigheid. Ze tonen dat je nog geen echte gelovige bent. Dus laat je het wel om met je kritiek naar buiten te komen.

Tot voor kort was dit systeem waterdicht. De bevindelijk gereformeerde kerken hadden dan ook amper last van leegloop. Slechts een enkele student verloor zijn geloof, maar het gros bleef trouwe kerkganger of stapte hoogstens over naar een iets lichtere variant van ongeveer hetzelfde geloof. Ik voorspel dat dit in no time zal veranderen, nu twijfels en kritiekpunten anoniem en ongestraft op internetfora kunnen worden uitgewisseld. In die zin is de komst van internet niet anders te beschouwen dan als een overwinning voor het verstand.

Een recent boek, Supersense van neuroloog Bruce Hood, probeert af te rekenen met Dawkins’ idee dat geloof een nutteloos en zelfs schadelijk relict is van vroeger tijden. Volgens hem maken bovennatuurlijke ideeën deel uit van het ontwerp van onze geest en zijn ze diepgeworteld in onze manier van denken. Kinderen kennen op zeer jonge leeftijd mentale drijfveren toe aan voorwerpen. Niemand leert ze dat. Bovendien zijn ze al heel jong in staat patronen te herkennen en daar een oorzaak of een doel aan te verbinden. Deze combinatie zorgt voor denkfouten als dat een pop kan denken of dat er iemand in de hemel een plan met ons heeft.

Aan elke theorie kleven voor- en nadelen, die ik hier onmogelijk allemaal kan behandelen. Tot nu toe vind ik die van Darwinisten als Dawkins, die ook een theorie heeft ontwikkeld over de selectie van de details van godsdienst, het meest overtuigend, maar ik wacht liever nog met het definitieve antwoord op de vraag waarom mensen geloven.

Er daagt namelijk licht aan de horizon: een team van onderzoekers uit allerlei verschillende disciplines is aan de Universiteit van Oxford bezig te doen wat Philipse voor onmogelijk hield: een gezamenlijk onderzoek naar geloof, met als belangrijkste vraag of het nu is aangeboren of aangeleerd. Ik hoop dat ze elkaar niet de tent uit vechten, maar dat ze over anderhalf jaar, als het project afgerond moet zijn, met de ultieme verklaring komen. Een wat lange adventstijd, maar het zij zo.

Franca Treur, medewerker van nrc.next, groeide op in een orthodox gereformeerd milieu, dat zij verbeeld heeft in de onlangs verschenen roman ‘Dorsvloer vol confetti’.

    • Franca Treur