Eeuwige leerplicht

Aan de vooravond van de feestdagen heeft minister Van der Laan (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA) een klein kerstoffensief tegen taalachterstand ontketend. In een brief aan de Tweede Kamer kondigde hij dinsdag aan dat er wordt gestudeerd op een ‘leeftijdsonafhankelijke leerplicht’.

Op deze manier wil de minister een wettelijk wapen in handen krijgen om migrantenouders met kleine kinderen te dwingen tot taalonderwijs. „Zeker als je kinderen hebt, moet je een minimaal niveau hebben en meegroeien. Als ouders geen Nederlands spreken, komen hun kinderen als ze vier zijn met twee jaar achterstand op school”, zei Van der Laan gisteren ter toelichting in een interview met webkrant nu.nl.

In september 2008 had Van der Laan de Kamer een onderzoek toegezegd naar de zin van een „verbrede leerplicht voor ouders van jonge kinderen met een risico op taalachterstand in het Nederlands”. Kinderen met ouders die slecht of geen Nederlands spreken, leren zelf vaak ook onvoldoende de taal. Maar nu blijkt dat niet wetenschappelijk vaststaat of zo’n leerplicht dit probleem oplost. Bovendien zou een specifieke leerplicht voor louter allochtone ouders in strijd zijn met het beginsel dat iedere burger gelijk is voor de wet.

Vandaar dat de steven wordt gewend. Van der Laan wil nu een „leeftijdonafhankelijke leerplicht” onderbrengen in de bredere „participatieleerplicht” waarop minister Donner (Sociale Zaken, CDA) zint. Dit idee is geopperd door een commissie die adviseerde over verbeteringen op de arbeidsmarkt. Maar liefst 1,5 miljoen ‘functionele analfabeten’ dreigen daar steeds kanslozer te worden. Taal wordt immers alsmaar dominanter. Een wetenschapper heeft uitgerekend dat een gemiddelde Amerikaan in de postindustriële samenleving ongemerkt 100.000 woorden per dag moet verwerken. Ofwel één stevige roman.

Van der Laan presenteert dit generieke plan als een logisch alternatief voor zijn aanvankelijke idee. Maar er zijn wel wat vraagtekens te plaatsen bij deze geveinsde daadkracht.

Ten eerste biedt de inburgeringswet hem nu al voldoende mogelijkheden om ouders naar taallessen te sleuren. Dat de uitvoering van die wet teleurstellend is – een feit waartegen de minister talloze extra (financiële) middelen inzet – is geen reden voor een nieuwe wet. Alleen al op de bureaucratische neveneffecten zit niemand buiten het apparaat te wachten.

Ten tweede fixeert hij zich te veel op de ouders. Het staat buiten kijf dat er een relatie is tussen de taalvaardigheid van ouders en de onderwijskansen van het kind. Maar waarom begint Van der Laan niet bij het begin: bij de kinderen? Hij zou beter kunnen ijveren voor een verlaging van de leerplicht van 5 tot 4 of zelfs 3 jaar. Die eerste kleuterklasjaren zijn voor de taalvaardigheid van het kind cruciaal. Wie dan een achterstand oploopt, heeft er zijn hele leven last van.

In de Tweede Kamer is tot nu geen meerderheid te vinden voor een verlaging van de leerplicht-leeftijd. Maar Van der Laan is politicus. En een politicus dient te zoeken naar meerderheden, ook als ze er op voorhand niet zijn.