Een harde vader

Matthijs Neven (1951) was het vierde kind van een Shelltandarts. „Sinds zijn dood gaat het me beter.”

‘Mijn moeder was gescheiden. Ze woonde met haar dochtertje van twee op kamers bij een hospita. Mijn vader was een vrij man met een mooi beroep: tandarts. In de oorlog kreeg hij zeep en alcohol en was hij vrijgesteld van de dienstplicht. Hij heeft een onderduikster in zijn praktijk gehad, maar hij was ook dwars; hij was onder de indruk van het organisatietalent van de nazi’s en deinsde er niet voor terug om dat hardop te verkondigen. Toen ik dertig jaar later ontgroend werd, werd er in het Amsterdamse studentencorps nog steeds gezegd dat mijn vader ‘fout in de oorlog’ was.

„Mijn ouders kenden elkaar vermoedelijk uit de buurt, maar ze kregen pas iets met elkaar toen mijn moeder als assistente in vaders praktijk kwam werken. Het waren twee ondernemende mensen: pa had de fantasieën, ma de daadkracht. Allebei wilden ze weg uit Nederland. Ze waren de naoorlogse armoede zat, en mijn vader had geen zin om te worden opgeroepen voor de politionele acties in Indonesië. Leeftijdgenoten vonden dat weinig loyaal. Mijn vaders eerste idee was om een varende tandartspraktijk voor de Nederlandse Antillen te beginnen; hij is nog langs scheepswerven gegaan om naar de mogelijkheden te informeren. Ma schreef een brief naar haar oom Jan op Curaçao. Die had wel een idee: op Curaçao zat een Shellraffinaderij met vele duizenden werknemers, maar tandartsen waren er nauwelijks. Mijn ouders wisten genoeg. Ze gingen, en bouwden er zelf een huis en een praktijk.

„Mijn vader werd de officieuze Shelltandarts. Zijn praktijk had twee ingangen en twee wachtkamers: een voor blanken, een voor zwarten. Segregatie was vanzelfsprekend in die dagen. We hadden een kindermeisje, een tuinman en een wasvrouw. Jet en Nol werden op Curaçao geboren; daarmee kwam het kindertal op drie, want mijn vader had zich vanaf het begin ook over Marjan ontfermd. Zij wist tot haar tiende niet beter dan dat hij haar echte vader was. Mijn moeder liet het zo, want die wilde geen geroddel.

„Ik kwam ter wereld in de Verenigde Staten, waar mijn vader een jaar een vervolgopleiding deed. Op de foto ben ik drie maanden oud en zijn we terug op het eiland. Het is december: hoogzomer, maar op Curaçao werd uitbundig, Amerikaans Kerstmis gevierd. Bij ons was het soberder. Cadeautjes kregen we met Sinterklaas. Deze foto ging naar de familie en kennissen in Nederland. Het ging mijn ouders goed, dat wilden ze laten zien.

„Twee jaar later las mijn vader in De Telegraaf dat er in Amsterdam-Zuid een ruïne van een door de Duitsers afgebrande villa te koop stond. Toen wilde hij terug; dáár moest hij wonen. In de praktijk op Curaçao ging het niet goed meer. Er waren twee tandartsen bijgekomen, en dat gaf spanningen. In conflictoplossing was pa niet al te handig. In Amsterdam liet hij met hulp van een architect een woonhuis annex praktijk verrijzen waar hij tot zijn 72-ste dag en nacht gewerkt heeft. Op het hoogtepunt had hij 2.300 patiënten. Hij was een soort koning van de Beethovenstraat, en zo gedroeg hij zich ook.

„Wat mijn vader in zijn beroep bereikt heeft, vind ik knap. Hij had gouden handen en was voor de duvel niet bang. Maar hij was een harde vader. Hij keek niet naar wat er in zijn kinderen zat, maar projecteerde zijn ambities op ons. ‘Blijf niet bij een zesje hangen als er een acht in zit’, was een van z’n lijfspreuken. Moeder moest dat allemaal compenseren. Ik stond onder grote druk om ook tandarts te worden. Na mijn eindexamen ben ik aan de opleiding tandheelkunde begonnen, maar na twee jaar ben ik gestraald. Ik wilde naar de kunstacademie. „Mijn zoon gaat matjes vlechten op de kunstnijverheidsschool”, zei mijn vader. Vernederend. Sinds zijn dood gaat het me eigenlijk beter.”

Een wild groetende hond, moderne Nederlandse kunst aan de muur. Hij is gescheiden, vertelt hij, en zijn drie zussen zijn dat ook. Vreemd is dat.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss