De regent van Lebak 150 jaar later

Honderdvijftig jaar geleden verscheen de roman Max Havelaar, Multatuli’s aanklacht tegen corruptie en uitbuiting. Zoektocht in het spoor van Max Havelaar. ‘Multatuli is de held van Lebak.’

Een palmolieplantage ,ooit door Nederlanders aangelegd in de provincie Lebak. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Indonesië. Lebak, 29 augustus 2009 Mentzel, Vincent

Sommige verre oorden danken hun roem aan een roman. Wie zou ooit hebben gehoord van Oran zonder De Pest? Van Gua-dalajara zonder Onder de vulkaan?

De beroemdste uithoek van de Nederlandse letteren ligt op Java en heet Lebak. Die naam kreeg een klassieke klank dankzij Multatuli’s meesterwerk Max Havelaar of de koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij. In die streek van West-Java resideerden halverwege de negentiende eeuw de held van het verhaal, assistent-resident Havelaar, én de schurk, de adellijke regent Kartanatanegara.

Dit jaar is het 150 jaar geleden dat Eduard Douwes Dekker, bestuursambtenaar in ballingschap, dat beroemde boek schreef over zijn aanvaring met de regent van Lebak. Indonesië heeft nog steeds streekbestuurders die de titel dragen van regent (bupati).

Maar het ambt is niet langer erfelijk; regenten worden nu rechtstreeks gekozen. En vorig jaar oktober koos Lebak zijn bupati, las ik in een krant. Dat prikkelde mijn verbeelding: wie zou anderhalve eeuw later die titel dragen?

Vijftien jaar geleden was ik voor het laatst in Lebak. Rangkasbitung, de hoofdplaats van het regentschap, was een onooglijk provinciestadje, waar geen mens van Multatuli had gehoord. Een politieman wist dat er wel een straat was met die naam en wees me de weg. Het was geen belangrijke straat en het bordje hing er onopvallend bij. Van de ambtswoning van Douwes Dekker restten alleen nog een muur en een stuk tegelvloer. Ik zocht niet verder.

Vijftien jaar later volg ik het spoor terug. De eerste stappen beloven niet veel goeds. Jakarta heeft tien goede boekhandels en er is er maar één die een vertaling van Max Havelaar op de plank heeft staan. Er is al jaren geen vraag meer naar. Twee exemplaren van het Boek gaan mee naar Lebak: een zevende druk in negentiende-eeuws Nederlands en de Indonesische vertaling van H.B. Jassin. Misschien is de regent een lezer en kan ik zo zijn belangstelling wekken voor zijn verre voorganger.

Als chauffeur Soehardjo in de vroege ochtend Ja-karta uitrijdt, sla ik het vijfde hoofdstuk op. Daarin reist Havelaar naar zijn nieuwe standplaats Lebak. Van Batavia naar Serang, hoofdplaats van de toenmalige residentie Bantam, volgt hij de Grote Postweg, „de heirbaan die de maarschalk Daendels met grote opoffering van volk deed aanleggen, een prachtig stuk werks”. Het traject van Jakarta tot Merak is nu een zesbaans tolweg.

Na een uur rijden tussen droge sawa’s – de rijstoogst van deze zomer is al binnen – naderen we Serang, de provinciehoofdstad. Daar verlaten we de snelweg. In Serang kreeg Havelaar gezelschap van resident Slijmering, zijn meerdere in het Binnenlands Bestuur, die hem vergezelde naar Rangkasbitung voor de installatieplechtigheid. Hier begon het zwaarste deel van de tocht. Multatuli zet dit in één zin neer: „Als men met een vierspannig rijtuig vertrok van Serang, met het voornemen zich te begeven naar Rangkas-Betoeng, de nieuwe hoofdplaats van ’t Lebaksche, bleef men gedurig steken in den modder, die in de Bantamsche laaglanden zwaar, kleierig en klevend is.”

Daar hebben wij geen last van. De weg tussen Serang en Rangkasbitung, twee banen breed, is bochtig, maar geasfalteerd. Er is weinig verkeer. Het is vooral uitkijken voor gevaarlijk zwenkende brommers van Chinese makelij, een populair vervoermiddel. Verder zien we alleen minibusjes en een enkele vrachtwagen met brandstof of kippen.

Toen Douwes Dekker hier assistent-resident werd, was dit de armste uithoek van Java. Het was de tijd van het Cultuurstelsel. Boeren werden gedwongen marktgewassen te verbouwen. En Lebak bracht geen winstgevende gewassen voort als koffie, suiker of indigo. Plaatsing als bestuursambtenaar op deze post gold als een straf. Er vielen geen ‘cultuurprocenten’ te verdienen.

Lebak is nog steeds niet rijk. Hier in het vlakke noorden van het regentschap overheerst de rijstbouw, maar er wordt niet drie keer per jaar geoogst, zoals elders op Java. Er groeit vooral padi gogo, rijst van niet bevloeide velden, die het moeten hebben van de regen. Nu, in de droge tijd, ogen de akkers dor en geel en worden de stoppels afgegraasd door karbouwen. Die vreedzaam grazende waterbuffels roepen herinneringen op aan het verhaal van Saidjah en Adinda en aan de karbouwenroof in Max Havelaar.

In deze schrale omgeving valt op dat het wegdek goed is onderhouden en dat om de paar kilometer gsm-masten verrijzen uit de velden. De hapee (hand-phone) rukt kennelijk ook op in Lebak. Andere blikvangers zijn de goed onderhouden, soms gloednieuwe schoolgebouwen. Op de fris geverfde muren hangen borden met een opwekkende tekst: ‘Laten we een succes maken van onderwijs voor iedereen in het regentschap Lebak.’ Over infrastructuur en voorzieningen heeft Lebak niet te klagen.

Aan het einde van de ochtend bereiken we de Ciujung, de rivier die ook door Multatuli’s boek stroomt. Aan de brug hangt een enorm spandoek met de tekst ‘Lebak bouwt’ en aan weerszijden portretten. Twee mannen in het witte uniform van de streekbestuurder kijken de bezoeker aan: Haji Mulyadi Jayabaya, regent van Lebak, en zijn tweede man, ir. Amir Hamzah. Dit is dus het postkoloniale, republikeinse tweetal dat leiding geeft aan het nieuwe Lebak en nog steeds de oude titel van regent voert.

Als we Rangkasbitung binnenrijden, herinnert bijna niets aan mijn bezoek van vijftien jaar geleden. In het verlengde van de brug lag toen een bescheiden hoofdstraat, de Jalan Protokol, die van de stadsgrens loopt naar de alun-alun, het centrale plein van een Javaanse stad. De Jalan Protokol is intussen verbreed. De vernieuwde hoofdstraat heeft ook een nieuwe naam gekregen. Die prijkt duidelijk zichtbaar in de middenberm: ‘Jalan Multatuli’. Langs het centrale plein staan een nieuwe Mesjid Agung (Grote Moskee) en een al even groot en gloednieuw Kantor Bupati Lebak (regentschapskantoor). Als we de ruime parkeerplaats van het bestuursgebouw oprijden, zien we een opvallend opschrift boven de ingang. Daar staat in grote, zilverkleurige letters ‘Aula Multatuli’. Lebak is niet alleen veranderd, het heeft een Nederlandse schrijver verheven tot icoon.

Aanklacht

Multatuli’s Max Havelaar is een aanklacht in romanvorm tegen machtsmisbruik in Nederlands-Indië. Niet zozeer door Hollandse gezagsdragers, maar door inheemse notabelen die deel uitmaakten van het Binnenlands Bestuur. De aanklacht van Multatuli is in de eerste plaats gericht tegen de regent, de hoogste inheemse gezagsdrager in Lebak, in de tweede plaats tegen de demang (het districtshoofd) van Parangkujang, een schoonzoon van de regent, en pas dan tegen de Nederlandse koloniale bestuurders die de praktijken van deze twee oogluikend toelieten.

De regent van Lebak, de booswicht van het boek, is een historische figuur. Hij stamt uit een oud West-Javaans geslacht en draagt een indrukwekkende adellijke titel: Raden Tumenggung Adipati Kartanatanegara. De regent maakte deel uit van de Javaanse ambtsadel, de priyayi. Toen de vorsten na de Java Oorlog (1825-1830) hun macht kwijtraakten aan de gouverneur-generaal in Batavia, behield de adel zijn titels en een deel van zijn privileges. De priyayi werden opgenomen in de hiërarchie van het Binnenlands Bestuur, dat zijn voordeel deed met het gezag dat deze inheemse notabelen genoten bij de bevolking. In naam was de resident de ‘oudere broer’ en de regent (bupati) de ‘jongere broer’. Maar dat was niet meer dan lippendienst aan de Javaanse adel. Het Binnenlands Bestuur was centralistisch en bureaucratisch.

Eduard Douwes Dekker, de man achter het pseudoniem Multatuli, was ambtenaar van het Binnenlands Bestuur en werd in 1856 door gouverneur-generaal Duymaer van Twist (1851-1856) aangesteld als assistent-resident van Lebak. Hij is Max Havelaar en de roman volgt de historische loop der gebeurtenissen, zij het dat Dekker ze, in zijn eigen woorden, heeft „verdicht en opgesierd”.

Kort nadat Havelaar is geïnstalleerd, hoort hij dat zijn voorganger Slotering is vergiftigd. Hij is gestorven na een etentje bij het districtshoofd van Parangkujang, toen hij een onderzoek wilde instellen naar het gedrag van de regent en diens schoonzoon, het districtshoofd. Havelaar duikt in het archief en hoort klachten van de bevolking aan. Dan krijgt de regent bezoek van zijn neef en ambtgenoot uit Cianjur. Hij roept arbeidskrachten op om het gras van zijn tuin te knippen. En hij laat het districtshoofd karbouwen vorderen voor het feestmaal. Deze waterbuffels zijn het werkkapitaal van de boeren. Ze zijn hard nodig om de rijstvelden te bewerken.

Havelaar beschouwt dit alles als misbruik van gezag en klaagt de regent aan. De klacht wordt terzijde gelegd door resident Slijmering, die de regent wat extra geld geeft. Havelaar wordt overgeplaatst naar Ngawi in Oost-Java, maar neemt ontslag. Hij probeert zijn verhaal te doen bij de gouverneur-generaal, maar die vertrekt naar Nederland zonder hem te ontvangen.

Gras knippen

Max Havelaar is de belangrijkste Nederlandse roman van de negentiende eeuw, vanwege de razend knappe constructie, de soepele stijl en het gebruik van gewoon negentiende-eeuws Nederlands. Heel ongebruikelijk, gezien de gedragen literaire stijl van die dagen. En de boodschap kwam hard aan. Een hele generatie koloniale bestuursambtenaren heeft het boek verslonden. Een enkeling pleegde na lezing zelfmoord. En het heeft bijgedragen tot beëindiging van het Cultuurstelsel in 1870.

Toch hebben historici zich afgevraagd wat er eigenlijk waar is van het verhaal. Frits Jacquet deed archiefonderzoek en Indiëkenner Rob Nieuwenhuys (1908-1991) schreef op basis daarvan het boekje De mythe van Lebak (1987). Uit de koloniale archieven blijkt dat Havelaars voorganger, assistent-resident Ch.E.P. Carolus, helemaal niet is vergiftigd. Hij had voor zijn dood niet bij het districtshoofd gedineerd en stierf in het militaire hospitaal van Serang aan een leverabces. Mogelijk een gevolg van amoebedysenterie, waar toen geen medicijn tegen was.

Of de regent misbruik heeft gemaakt van zijn gezag is een omstreden kwestie. Koloniaal Java kende twee soorten gezag: een ambtelijke en een feodale variant. De regent ontving een bescheiden salaris en had een groot gevolg van personeel en familieleden die hij moest onderhouden.

Het aanstaande bezoek van zijn neef bracht hem in grote verlegenheid. Zijn neef Kusumaningrat was regent van Cianjur, in de Preanger. Die was dankzij zijn aandeel in de koffiebaten steenrijk en zou met groot gevolg in Rangkasbitung verschijnen. Om, ondanks geldgebrek, toch goed voor de dag te komen liet Kartanatanegara dorpsbewoners zijn gras knippen en ‘leende’ hij karbouwen in de desa’s.

Na de Franse Revolutie waren herendiensten en verplichte leveranties afgeschaft in Indië. Maar het Cultuurstelsel berustte mede op het traditionele gezag van de regenten en om hen te paaien waren hun privileges deels hersteld. Levering van karbouwen zonder betaling, of tegen een prijs onder de marktwaarde, was ambtelijk niet geoorloofd. Maar het werd volgens Javaanse gewoonterecht beschouwd als pundutan, schenking aan hoofden van levende have en voedsel bij feestelijke gelegenheden.

Resident Brest van Kempen, het personage achter de romanfiguur Slijmering, was een kenner van de adat. Na het vertrek van Dekker stelde hij een onderzoek in. Hij constateerde dat er van ‘karbouwenroof’ geen sprake was en dat alle eigenaren schadeloos waren gesteld, zij het onvoldoende en te laat. In opdracht van Batavia hield Brest van Kempen de regent „op ernstige wijze het ongeoorloofde zijner handelingen voor”. Een berisping, meer niet. Zijn schoonzoon werd ontslagen wegens „onbekwaamheid en nalatigheid”.

In 1987 schreef de Indonesische literatuurcriticus Subagio Sastrowardoyo een artikel over de ontvangst van Max Havelaar in zijn land. Hij legde uit dat de roman alleen in kleine kring bekend is, maar daar doorgaans gewaardeerd wordt als een literair werk dat een nieuw tijdperk inluidde in de Nederlandse koloniale geschiedenis door de verdorvenheid van het bestuurssysteem aan de kaak te stellen.

Sastrowardoyo wees ook op een steen des aanstoots. „Er is één ding dat men minder goed beseft in Nederland: de houding van de nazaten van de regent van Lebak tegenover de roman. Multatuli gebruikt fictieve namen voor zijn romanfiguren. Maar het vreemde is dat de regent van Lebak door Multatuli met zijn volledige naam wordt aangeduid: Kartanatanegara. Voor de nazaten van de regent is de Max Havelaar een boek dat de naam van de familie voor altijd heeft bezoedeld.”

De oude regent

Kartanatanegara was na ‘de zaak-Havelaar’ nog negen jaar regent. Eenmaal gepensioneerd bleef hij tot zijn dood in Rangkasbitung wonen. Hij moet dus hier begraven liggen.

Ten westen van het centrale plein, verscholen achter de imposante nieuwe moskee, ligt, alleen bereikbaar via een smalle steeg, de oude begraafplaats. Tussen de zerken groeien hoge bomen met bemoste stammen. In de hoek met verse graven is een oude man aan het werk, die wonderwel bij de begroeiing past. Hij neemt me mee naar het oudste deel van de dodenakker, waar de stenen verweerd en de grafschriften bijna onleesbaar zijn.

Ik zie lange, adellijke namen: Sumaatmadja, Nataadmadja, Kartadjumena. Onder een boom ligt een oud graf met rondom een nieuwe tegelvloer. In de richting van Mekka staat een ruwstenen zuil, aan de bovenkant omwikkeld met lappen. Op verzoek maakt de oude man ze los. De kop van de zuil is afgesmeerd met gips en daarin is in gouden Arabische letters de naam aangebracht. De oude regent heeft nog steeds bewonderaars.

Aan de zuidzijde van het centrale plein bevinden zich de bestuursgebouwen. Naast het gloednieuwe regentschapskantoor staat een oud pand in de steigers. Er zijn bouwvakkers aan het werk. Aan het hek dat de bouwplaats afsluit voor het publiek hangt een bord. Dit is het Gedung Negara (gebouw van staat), ooit het kantoor van de Nederlandse assistent-resident. Hier moet ambtenaar Douwes Dekker nog hebben gewerkt. De Dienst Monumentzorg van Lebak laat het pand restaureren en zoveel zorg is uitzonderlijk in het Indonesië van nu.

Ook het gebouw ernaast is opgetrokken in koloniale stijl, met een overdekte voorgalerij en zuilen. Dit is sinds de negentiende eeuw de ambtswoning van de bupati, de regent van Lebak. Ik beklim de zes treden naar de voorgalerij, waar op dit uur niemand is, en val van de ene verbazing in de andere. Aan de muren hangen vier mooi ingelijste oude foto’s: een panorama van het centrale plein, een koloniaal huis met de tekst ‘woning van Multatuli in Rangkasbitung’ en twee portretten: Eduard Douwes Dekker en zijn vrouw Everdine van Wynbergen, Tine in de Max Havelaar. De geschiedenis is niet vergeten in Lebak. Sterker nog: hij wordt er gekoesterd.

Nieuwe regent

Het is tijd om kennis te maken met de nieuwe regent. Ik begin bij de tweede man, want, is me verteld, „als die er wat in ziet, ben je zo bij de baas”. In de wachtkamer van het regentschapskantoor zit een medisch team uit het streekziekenhuis: een voorlichter die zich voorstelt als Budi, een arts en drie verpleegsters. Zij komen elke dag langs. De regent wil bloed doneren, maar zijn bloeddruk is al een tijdje veel te hoog. Om het wachten te bekorten lopen Budi en ik even naar buiten. Hij kent de regent goed.

De eerste man van Lebak komt uit het district Cileles en is de zoon van een dorpshoofd. Voordat hij in de politiek ging, was hij bijrijder op een minibusje, kleine aannemer en handelaar. Na de val van Soeharto in 1998 werd hij lid van de PDI-P, de nationalistische partij van Megawati Soekarnoputri, en afgevaardigde in de streekraad. In 2003 koos die raad hem tot regent en in oktober vorig jaar is hij met 65 procent van de stemmen gekozen door de burgers van Lebak. Die noemen hem liefkozend Haji Bai, maar hij noemt zichzelf graag ‘JB’. Daarmee spiegelt hij zich aan president Susilo Bambang Yudhoyono, die in de volksmond ‘SBY’ heet.

„Mulyadi is razend populair”, zegt Budi. „Dat komt door zijn volkse stijl, maar vooral omdat hij veel dingen voor elkaar krijgt. Hij is een politieke straatvechter en heeft een hekel aan bureaucratie. Het moet u zijn opgevallen hoeveel jonge mensen er werken in het regentschapskantoor. Dat is beleid: een betere mix van ervaring en creatieve energie. Mulyadi vormt een goeie combinatie met zijn tweede man, Amir Hamzah. Dat is een intellectueel, geen politicus. Amir was directeur van het regionale planbureau en ontwierp het streekplan voor Lebak. Via hem heeft het bestuur goede contacten met de academische wereld. Ideeën en politieke spierballen. Samen heel effectief.”

De tweede man is klein en stevig, met een intelligent, open gezicht. Hij presenteert thee met koekjes en biedt me een geschenk aan: een gloednieuw boek over de geschiedenis van Lebak. „Lees maar”, zegt hij, „er zijn liefst 15 bladzijden gewijd aan ‘de zaak-Havelaar’.” Een snelle blik leert dat het boek is geschreven door een team historici van de Universitas Padjadjaran in Bandung.

„In Indonesië”, zegt de tweede man, „is Eduard Douwes Dekker een omstreden figuur. Zo vinden de historici uit Bandung dat hij te veel uitging van een Nederlandse, rationeel-legale gezagsopvatting, terwijl de inheemse hoofden steunden op traditioneel gezag. Dekker zou daar te weinig begrip voor hebben gehad en zich hebben opgesteld als een koloniaal. Indonesiërs zouden het hebben afgelegd tegen Nederlanders. Maar dat is partij kiezen voor feodale onderdrukkers op basis van een nationalistisch en chauvinistisch schema. In deze controverse kiezen de regent en ik op menselijke en sociale gronden partij voor Multatuli, ook al was hij een Nederlander. Want hij legde zijn loopbaan in de waagschaal door het op te nemen voor de armen en verdrukten.”

Na het gesprek lopen we samen naar de regentenwoning. Op de voorgalerij zit een gezelschap in leunstoelen. De tweede man stelt me voor aan een ongeschoren, magere man in een eenvoudig blauw diensttenue, een kruidnagelsigaret tussen de vingers. Ik had me de regent van Lebak anders voorgesteld dan dit nonchalante type met zijn rauwe stem. Hij praat veel en lacht hard, en bij iedere kwinkslag lacht het gezelschap mee.

Als de regent hoort waarvoor ik kom, knikt hij goedkeurend. „Multatuli”, zegt hij plechtig, „is de held van Lebak. Kijk maar naar de foto’s die hier hangen en de vele plekken in Rangkasbitung die zijn naam dragen. Op mijn voorstel heeft de streekraad de Jalan Protokol omgedoopt in Jalan Multatuli. Het is geen toeval dat onze namen beginnen met dezelfde drie letters: Multatuli, Mulyadi” Dan, luid, theatraal: „Deze regent is de nieuwe Multatuli die opkomt voor de kleine man!”

Rit te paard

Het klinkt goed, maar is het waar? Dieper in Lebak houden de rijstvelden op en zijn de heuvels bedekt met plantages en boomtuinen. We rijden door het district Cileles, zo’n veertig kilometer bezuiden Rangkasbitung. De oude naam is Parangkujang, bij Multatuli „het district der verregaande misbruiken”. Havelaar maakte nachtelijke ritten te paard naar Parangkujang om meer te horen over het gedrag van de demang, het districtshoofd. In werkelijkheid is Douwes Dekker Rangkasbitung niet uit geweest en was hij voor zijn onderzoek aangewezen op archiefstukken. Met wie had hij ’s nachts moeten praten, en in welke taal? Hij kende een beetje Maleis, de taal van bestuur en hoofden, en geen woord Soendanees, de volkstaal van Lebak. Hij kon niet ongemerkt weg uit zijn bewaakte residentie aan het centrale plein. Het is uitgesloten dat hij zonder gids, in het pikdonker, nota bene in de regentijd, als het water van de berghellingen stroomt, de weg kon vinden naar Parangkujang en terug.

Maar dat archiefonderzoek heeft Dekker goed gedaan. Regent Mulyadi heeft Max Havelaar niet gelezen, maar hij kent de mondelinge overlevering. Over het districtshoofd van Parangkujang zei hij tijdens onze eerste ontmoeting: „Ik kom uit die streek en ik weet van ouderen wat die schurk heeft gedaan. Hij maakte het volk nog armer dan het al was. Dat soort leiders willen we niet meer. Het is mijn taak als regent om in het voetspoor te treden van Multatuli en het lot van de bevolking te verbeteren.”

Cileles is de geboortestreek van de regent, daar doen we maar geen navraag. De weg slingert door uitgestrekte rubber- en palmolieplantages. Deze staatsbedrijven zijn haarden van armoede. Dagloners verdienen er een grijpstuiver en de grond die overblijft voor boomtuinen (kruidnagelen, cacao, arenpalmen) is net genoeg om de bevolking te onderhouden. In een houtzagerij aan de weg, waar ook houtskool wordt gebrand, zijn mannen en vrouwen aan het werk in de rook en de opstuivende as.

Gunungkencana (Gouden Berg) is een van de hoogst gelegen districten van Lebak. Hoofdplaats is de desa Gunungkidul (Zuidberg). De grootste gebouwen van het dorp zijn het districtskantoor en een openbare middelbare school die net is uitgebreid met nieuwe lokalen. Op het enige kruispunt staat een warung, een eetgelegenheid van hout en bamboe met een uitnodigende uitstalling frisdrank. Uitbaters zijn Anom, een tanige veertiger, en zijn vrouw Nina. Veel bezoek krijgt het dorp niet, en ik drink mijn flesje thee in een kring dorpelingen. Wat moet een bule (blanke) in Lebak?

Dat ik de regent ken, maakt de tongen los, want heel Gunungkidul kent hem. En alle kringgenoten zeggen dat ze vorig jaar op hem hebben gestemd. „Hij is één van ons”, zegt Anom. „Hij spreekt onze taal, doet wat hij zegt en steelt niet van de armen, zoals zijn voorgangers.” Wat is het district eigenlijk met hem opgeschoten, wil ik weten. Anom: „Onze kinderen kunnen nu allemaal naar school. Ouders die het niet breed hebben, hoeven geen schoolgeld te betalen. En er zijn eindelijk genoeg klaslokalen, dus de kinderen krijgen niet langer les tussen de kippen.”

Toch zit het asfalt van de weg hierheen vol gaten, zeg ik. Ze zijn achteloos opgevuld met steenslag en niet gewalst. „Klopt”, zegt Jakaria, een vijftiger met een kalotje. „De aannemer, NV Budi Bahagia, heeft de zaak belazerd. Die heeft het geld van het regentschap opgestreken en bijna niks gedaan. Maar we hebben hem aangegeven!”

Op dat moment stopt een jonge motorrijder bij het eethuisje en vraagt de weg. Hij heeft een witte kist achterop. Als hij weer weg is, zegt Anom: „Dat is de rondreizende verpleger. We hebben hier geen gezondheidscentrum en hij gaat op de motor patiënten langs. Dat is iets nieuws.” Lebak heeft voor 28 districten 40 gezondheidscentra. De gaten in het zorgnet worden opgevuld door 203 mobiele verplegers, die worden betaald door het regentschap.

De meeste gasten in het eethuisje hebben een mobiele telefoon. „Er staan tegenwoordig om de paar kilometer gsm-masten”, zegt Anom. „en de concurrentie tussen de vele aanbieders houdt het tarief laag. Met de hapee kunnen we de verpleger bellen. Mijn leveranciers en ook de opkopers van hout en rubber kunnen ons niet meer oplichten, want we bellen naar Rangkasbitung en vragen naar de marktprijs.” Eigenaren van de grond waarop de masten staan, krijgen een jaarlijkse huur van 500 euro, een heel bedrag voor deze streken. En als de exploitant in gebreke blijft, krijgt hij te doen met het regentschap.

Terug in Rangkasbitung lees ik in de regionale krant dat „de aannemer NV Budi Bahagia ter verantwoording is geroepen door de regent wegens wanprestatie”. De volgende dag doe ik navraag bij de regent: „Wij willen in Lebak ondernemers die verantwoording nemen: voor hun bedrijf, voor de belangen van de bevolking en tegenover het streekbestuur”, zegt de regent. „We kunnen niet hebben dat er nu een schoolgebouw wordt neergezet dat volgend jaar kapot is. We kunnen ook niet hebben dat er nu een weg wordt aangelegd, waarin de volgende maand gaten vallen. Dan is het volk de dupe. Als de klus niet goed wordt geklaard, komt het bedrijf op de zwarte lijst. Wie daar op staat, krijgt geen opdrachten meer van het streekbestuur. Dat is geen loos dreigement. Vorig jaar zijn 57 ondernemingen op onze zwarte lijst gezet.”

Een offensief tegen ‘ondernemers die niet deugen’. Het is een verre echo van Havelaars aanval op ‘de knevelarij der hoofden’.

Mulyadi bekleedt hetzelfde ambt als Kartanatanegara anderhalve eeuw geleden en hij bestuurt hetzelfde gebied. Toch is zijn positie een heel andere, zegt hij. „Vroeger was een regent een halve koning. Dat was in de feodale tijd. Nu is het ambt ingebed in regels en wetten die willekeur en machtsmisbruik moeten voorkomen. En er is nog meer veranderd. Het koloniale bestuur was heel centralistisch. De nieuwe wet op de regionale autonomie geeft regentschappen ruime bevoegdheden om de eigen streek te ontwikkelen. En dat doen we ook.”

De regent heeft intussen naam gemaakt buiten de eigen streek. Begin augustus, een maand na de verkiezingen, kwam de econoom Boediono, de nieuwe vicepresident, naar Lebak. En nog diezelfde maand riep het weekblad Tempo de regent van Lebak uit tot één van de negen succesvolste van Indonesië.

Voor meer foto’s van Vincent Mentzel uit Lebak: zie nrc.nl/weekblad. Ook exposeert hij op de Max Havelaar-tentoonstelling,v.a. 2 februari a.s. in Amsterdam.

    • Dirk Vlasblom