De onnadenkenden

De sociaal-democratie lijdt onder het eigen succes, is de analyse van de vele PvdA’ers die afgelopen jaar een boek publiceerden. Een wegloper gelooft er niets van. Wie schrijft het antwoord?

Nederland , Amsterdam, 6-10-2007 PvdA congres. Een medewerker blaast ballonnen op. Maarten Hartman Hartman, Maarten

Job Cohen: Binden. Met interview door Bas Heijne. Bert Bakker, 253 blz. € 18,95

Marcel van Dam: Niemandsland. De Bezige Bij, 367 blz. € 19,90

Ruud Koole: Mensenwerk. Bert Bakker, 413 blz. € 24,95

Jacques Wallage: Plaats van bestemming. Bert Bakker, 340 blz. € 19,95

Tijdens een verkiezingsdebat beet Pim Fortuyn een concurrent toe: „Uw pennevruchten zijn mínímáál!” Toeval of niet, maar sinds de verkiezingen die op dat debat volgden, zijn politici als bezetenen gaan schrijven. Partijleiders van Balkenende tot Bos, van Rouvoet tot Halsema, ze publiceerden allemaal hun eigen kijk op de samenleving.

In de recente oogst aan politieke boeken valt vooral het grote aantal sociaal-democraten op dat in boekvorm aanklaagt, verantwoording aflegt of richting aan het debat probeert te geven. In het voorbije jaar deed Ella Vogelaar (of eigenlijk haar man Onno Bosma) verslag van haar ministerschap, Ruud Koole van zijn partijvoorzitterschap en bundelden Jacques Wallage en Job Cohen lezingen en beschouwingen.

In datzelfde jaar is de aanhang van de PvdA in de peilingen gedaald tot een magere 13 procent van het electoraat. Drie jaar geleden kwam de partij bij gemeenteraadsverkiezingen nog als grootste uit de bus, met een kiezersgunst die 5 procent hoger lag dan die van nummer twee, het CDA. Het logische gevolg van zo’n groot verval: onrust in de tent, over koers, strategie en gezichtsbepalende personen. En natuurlijk over de toekomst van de sociaal- democratie, de politieke ideologie waaraan de PvdA haar historische plek in het Nederlandse politieke landschap ontleent en die niet alleen hier, maar ook internationaal, snel verliest aan electorale aantrekkingskracht. Het maakt de vraag onvermijdelijk of deze boeken een bijdrage leveren aan het denken over die toekomst.

Dat zou mooi zijn, want dat denken speelt zich momenteel voornamelijk af in de coulissen van de partij. De partijleiding heeft immers bedacht dat een levendige interne discussie de stemmen niet terughaalt. Partijleider Wouter Bos illustreerde dat standpunt wellicht het best met zijn woedende reactie, eind november, op een interessant artikel dat Kamerlid Paul Tang schreef, voor de denktank Waterland.

Tang schreef over de moeilijkheden waarvoor een individualiserende samenleving de sociaal-democratie stelt. Door ‘Amerikanisering’ regeert de gedachte dat succes eerst en vooral eigen verdienste is, wat zorgt voor rancune onder grote groepen in de samenleving. Zijn conclusie: sociaal-democraten hebben geen reden voor optimisme. Gevraagd om een reactie, brieste Bos: „Dat soort PvdA’ers moet zijn mond houden”. Opvallend, die reactie: een dag eerder had Bos het boek van Koole nog ‘schitterend’ genoemd. Dat was ruiterlijk, omdat hij bij Koole naar voren komt als een controlfreak die een lage dunk heeft van de eigen partij. De leider speelde publiekelijk met de gedachte de PvdA op te heffen en in ‘een pijnlijk gesprek’ vertelde hij Koole dat de partij weleens zijn grootste vijand zou kunnen zijn.

Koole haalt nog meer interessants uit de 25 notitieblokken die hij in zijn voorzittersjaren volkrabbelde. Alles over de politiek met een kleine p, met precieze aantekeningen over wie wie belde, waarom en op welk moment. Dat maakt het boek relevant voor wie wil weten hoe hoofdrolspelers in de partij omgingen met allerlei affaires, zoals het vrijwillige vertrek van Hirsi Ali of het gedwongen vertrek van de Amsterdamse wethouder Oudkerk. Anders dan in zijn wetenschappelijke artikelen heeft Koole, hoogleraar politicologie, in dit boek alleen tussen de regels aandacht voor ideologie en voor de vraag hoe het denken binnen de partij zich in de jaren sinds Fortuyn ontwikkelde. Hij concludeert dat idealen van emancipatie en solidariteit nog altijd ‘hard nodig’ zijn, maar minder makkelijk over het voetlicht zijn te brengen in een tijd waarin geen ruimte is voor ‘nuances’ en ‘begrip voor de complexiteit van de politiek’.

Ook bij Vogelaar staat de onderlinge omgang tussen kopstukken centraal, met snel oplaaiende en soms even snel verdwijnende controverses en wrijvingen. Terugkijkend valt op dat we uit haar boek over de sociaal-democratie niet meer te weten komen dan dat zíj die belichaamt, meer dan haar vijanden. De lezer tast in het duister over Vogelaars positie in discussies zoals Tang die wil voeren, met vragen als: moet de sociaal-democratie de strijd voeren tegen de nationaal-individualisten? En zo ja, dan vooral tegen dat nationalisme? Of tegen het individualisme?

Voor gedachten over de toekomst van de sociaal-democratie moet je ook bij Wallage een vergrootglas inzetten. Hij concentreert zich liever op kwesties waar hij als politicus en bestuurder mee worstelde. Zoals integratie. Als hij de lezer in Plaats van bestemming één ding wil inpeperen, dan is het wel dat hij, ondanks maatschappelijke tegenwind, trouw bleef aan de gedachte dat integratie pas succesvol kan verlopen als immigranten een eigen identiteit bewaren. Wie niet weet wie hij is, kan niets worden. Zeker geen Nederlander.

Ook in zijn gedachten over onderwijs blijkt Wallage een volhouder. Hij toont zich daarin in alles het soort bestuurder dat partijgenoot Jeroen Dijsselbloem met zijn parlementaire commissie onderwijsvernieuwingen over de hekel heeft gehaald. Volgens Wallage was er niets mis met het beleid van de afgelopen decennia. Probleem was slechts dat het onderwijs ‘beleidsresistent’ bleek. Lees: de schoolbesturen, juffen en leraren luisterden niet.

Wie kwaad wil, kan in deze term – ‘beleidsresistent’ – een symbool zien van de bestuurlijke arrogantie die komt met de gedachte dat de eigen goede intenties altijd leiden tot verbetering, zelfs als die op de werkvloer verkeerd uitpakken. En over de sociaal-democratie? Achteloos laat Wallage weten dat de PvdA waarschijnlijk steeds minder ‘de drager’ is van de sociaal-democratische traditie. De partij is ‘met een heroriëntatie’ bezig en zoekt het midden. Niets mis mee, schrijft Wallage. Maar waar die koers toe leidt en hoe die zich verhoudt tot uitgangspunten die Wallage eerder in zijn leven uitdroeg, blijft onduidelijk. Als er maar ‘verscheidenheid’ en ‘nuance’ overblijft, zegt hij, zonder welke de ‘humaniteit’ – niets minder – het niet kan stellen. Vorm is bij Wallage doel geworden.

En dan Job Cohen, de man die in 2003 op verzoek van Bos kandidaat-premier was. Het elftal lezingen dat hij samenbracht in Binden vormt de theoretische onderbouwing van zijn opdracht ‘de boel bij elkaar’ te houden. De sociaal-democratie zal daarvoor ‘nieuwe evenwichten moeten zoeken’ en een ‘eigen agenda rond thema’s als solidariteit en tolerantie moeten maken’. Die agenda? Als het aan Cohen ligt: meer doen aan toezicht en handhaving van regels. ‘Erken het meningsverschil’, maar houd je streng aan de regels van de rechtsstaat die de sociaal-democraat meer moet inzetten als wervend uitgangspunt van het denken. Dat heeft Cohen zelf zo geleerd in de laatste jaren.

Zijn analyse van het probleem is dezelfde, opvallend genoeg, als die van Paul Tang, en dominant onder de kopstukken van de partij. De analyse luidt: de sociaal-democratie lijdt onder het eigen succes. Door de emancipatie van de burger werd het idee gemeengoed dat iedereen succes én falen aan zichzelf te danken heeft. Solidariteit staat daardoor onder druk, de aantrekkingskracht van het ‘oude verhaal van solidariteit door emancipatie’ (Tang) is geminimaliseerd. De vraag is dan: hoe verhoudt de sociaal-democraat zich tot deze ontwikkeling? Buigt hij mee, of zet hij zich ertegen af? Bezingt of bestrijdt hij de meritocratie?

Een afvallige PvdA’er, oud-minister Marcel van Dam, strijdt ( in dit boek, maar ook in vele columns en een documentaire) tegen de succesthese van Cohen en consorten. De PvdA lijdt helemaal niet onder succes want daarvan is geen sprake, zegt hij. Er is helemaal geen meritocratie. Erger, de minima zijn er in de afgelopen decennia niet op vooruitgegaan, ondanks economische groei en kabinetten waarvan de PvdA deel uitmaakte. Wat heeft gewonnen, is alleen de illusie van een meritocratie; de gedachte dat falen en succes aan eigen inspanning zijn te wijten.

Wijst Van Dam dan de weg? Nee, daarvoor is zijn boek al te zeer doorspekt met onjuistheden en is er te veel aan te merken op de wijze waarop hij cijfers presenteert. Ook lijkt het niet zinvol om de beschaving van een land af te meten aan het percentage van het bruto binnenlands product dat gaat naar sociale bescherming, zoals Van Dam doet. Alsof het aantal inactieven in een samenleving graadmeter is voor welzijn en geluk.

Maar aan zijn bijdrage was wel behoefte. Van Dam is een politicus in ruste die vanuit zijn villa op de Veluwe de sociaal- democraten van de PvdA uitdaagt door de vraag op tafel te leggen: is het waar, brokkelt de gemeenschap af door een gebrek aan sociale politiek? Of hebben Bos en consorten gelijk, en kunnen burgers zich juist makkelijker ‘aan hun ketenen ontrukken’ als ze minder afhankelijk zijn van de overheid? En hoe groot is dus de rol die toeval speelt – en mag spelen – in het leven van een Nederlands burger?

In de boeken die PvdA’ers in 2009 schreven, is deze toverformule – het succes van de sociaal-democratie – de mantra waarmee de auteurs de problemen van de sociaal-democratie negeren of verhullen. Een uitdager als Van Dam krijgt daardoor geen serieuze repliek, alleen gescheld. Minister Plasterk noemde hem al ‘een demagoog’ en Kamerlid Samson sprak van ‘de Nederlandse Michael Moore’. Dat is jammer, want je moet Van Dam nageven: ideologisch is zijn verhaal wel. En meer politiek met een grote p kan de sociaal-democratie wel gebruiken. Een voorspelling: het zou zomaar kunnen dat als één van de huidige PvdA-kopstukken in staat blijkt wél een visionair tegenbetoog te schrijven, de ergste malaise in de partij voorbij is. En dan maar hopen dat Bos niet weer de gordijnen in vliegt.

    • Pieter van Os