De negentiende eeuw (2)

‘Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan de uitvreter.’ Dit is de eerste zin van het nationaal beroemde verhaal van J.H.F. Grönloh, of Nescio, zijn pseudoniem. Het is gepubliceerd in 1911. De tijd vóór 1914 reken ik nog tot de negentiende eeuw.

Het verhaal gaat dan verder over de avonturen van deze uitvreter, Japi, die tenslotte van de Waalbrug stapt. Over de man die in het eerste deel van deze eerste zin ter sprake komt, is verder nooit iets bekend geworden. Waarom vond de schrijver hem wonderlijk? Ik kan me zijn voorkeur wel voorstellen. De Sarphatistraat moet toen met zijn prestigieuze architectuur een grootsteedse allure hebben gehad. Maar echt levendig zal het er niet geweest zijn. En nu, met zijn architectonische herinneringen aan die ver voorbije tijd, de verwaarlozing en detonerende nieuwbouw is dit een van de melancholiekste straten van Amsterdam. Op een droefgeestige manier mooi gebleven.

In mijn vorige stukje heb ik geprobeerd u te verleiden een toeristisch kijkje in deze negentiende-eeuwse buurten te nemen. We zijn gebleven bij een mooi, wit gepleisterd, al lang leegstaand gebouw. Ik heb er geen bewijzen voor maar ik denk dat de stedebouwers van plan zijn het tegen de grond te gooien om er iets van hyperallure neer te zetten. Nu lopen we verder, eerst langs een groot gebouw dat Nescio heet. En dan komen we aan bij de ‘KAVALLERIE KAZERNE’. Zo staat het in een oud lettertype op de gevel. Aan de overkant van het kruispunt Alexanderplein staat de Muiderpoort, gebouwd in 1770. Daar hebben we niets mee te maken. We slaan linksaf, de brug over en dan zijn we in de Plantage Middenlaan.

Ik ga niet opsommen wat daar te bewonderen valt, ik ben geen reisleider maar een aanstoker en opstoker van uw nieuwgierigheid.

We zien Huize Sint Jacob. Begin jaren tachtig (van de vorige eeuw) is het grootste deel van het oorspronkelijke gebouw uit 1863 gesloopt en vervangen door deze verschrikking. De ouden van dagen zullen het binnen heel gezellig hebben, maar ik loop er in versnelde pas langs. Passeer nog veel meer bewonderens- en bezienswaardigs en kom aan de Hortusbrug.

Het zal een jaar of vijftien geleden zijn dat ik in lijn negen zat, de andere kant op. De tram stopte, de brug ging open. De onderkant was volledig in beslag genomen door een kleurenfoto van twee pin-ups, verleidelijk glimlachend en gekleed in pin-upkostuum. Door zo’n voorstelling op die plaats wordt een mens behoorlijk overvallen. In deze tram zat een Japans reisgezelschap. De toeristen in het voorste deel riepen aai! en waai! en woeh! – zo klinkt het als je geen Japans verstaat – en trokken hun camera. Degenen die verderop zaten of stonden, begrepen dat er iets bijzonders aan de hand was, drongen op, deden hun ontdekking en begonnen ook foto’s te maken. In die tram ontstond een onbeschrijfelijk gedrang en tumult. Deze versiering was gemaakt door de in Amerika wonende fotografe Inez van Lamsweerde. Later heeft een feministische protestgroep er bakken met verf tegenaan gegooid. Aan de onderkant van deze brug is nu niets meer te zien dat opwinding kan veroorzaken.

Maar kijk eens goed naar de leuningen. Over vierkanten verdeelde abstracte stalen figuren, in ieder vierkant een andere voorstelling. Gemaakt door Herman van der Heide die ten onrechte nooit bekend is geworden.

En nu dreigt ook hier het onvermijdelijke te gebeuren. Een buurtgroep heeft ontdekt dat er te weinig toeristen komen. Ze blijven in het oude centrum hangen. In de Plantagebuurt moeten meer levendige cafés komen, meer winkels, hippe, leuke troep. Niet doen. Zorg beter voor de overgebleven monumenten. Zo is het mooi genoeg. Laat de negentiende eeuw met rust.

    • S. Montag