De humor van het theezakje

De huidige generatie ouders wordt vaak verweten dat zij niet opvoeden met gezag. Hun kinderen groeien op voor galg en rad, gefascineerd door uiterlijk, kicks, status en netwerken. Dichter F. Starik (1958), een vader uit de verloren generatie, vertelt over de relatie met zijn zoon Majoor (1993).

Majoor heeft zo’n modern, piramidevormig theezakje aan de lamp van zijn fiets hangen. Er is nog geen thee van het doorschijnend witte kousje gezet. Wie langs zijn fiets loopt met een bekertje kokend water in zijn hand, zou dat kunnen doen. Majoor rijdt sinds een jaar op een zwarte herenfiets, het opamodel. Met dubbele stang. Ik rijd er zelf ook een, zij het uitgerust met een breed voorrek en een dubbel gevederd kipleren zadel. Er zit nog net geen mand op, maar de boodschap moge duidelijk zijn. Die dubbele stang is nergens voor nodig. Nog maar een paar jaar geleden was het een zeldzaamheid. Nu is hij haast gemeengoed. Het zal wel iets betekenen, al weet niemand wat precies. Er is nooit onderzoek naar gedaan. Tegen publieke agressie zal hij niet beschermen. Voor hij het opamodel koos reed Majoor een meer gebruikelijke aluminium Peugeot, met 64 versnellingen. Deze maand werd hij zestien.

Hij is deze zomer met zijn moeder en haar familie in Iran geweest. Die familie heeft zich jarenlang over een illegaal in ons land verblijvende gelukszoeker ontfermd, iemand met ‘een vluchtverhaal’, zoals de overheid, of in ieder geval een nieuw slag politicus, de asielzoeker met veel ongeloof aanduidt. Een door en door fatsoenlijke, diep gelovige, ongelooflijk aardige jongeman, deze gelukszoeker. En geluk heeft hij hier, dankzij deze genereuze familie die hem als een verloren zoon in haar midden opnam, daadwerkelijk gevonden. Hij volgde en voltooide een opleiding, vond werk, en verkreeg na lang en geduldig procederen uiteindelijk de felbegeerde verblijfsstatus. Nu ging hij trouwen, in het land van herkomst van zijn geliefde. En deze familie, die ik heb achtergelaten om elders mijn geluk te beproeven, zou bij dat huwelijk aanwezig zijn, in Iran. Zo kan het ook.

Majoor droeg zijn haar nog veel langer dan het gemiddelde meisje. Jezushaar, zou je het kunnen noemen. Dat zou wel eens gevoelig kunnen liggen in Iran, vermoedden wij. Zoveel haar. Men zal er een provocatie in vermoeden. Je kan als jongen toch moeilijk met een hoofddoekje gaan rondlopen, was ik bang. Waar Majoor zich doorgaans weinig aan zijn uiterlijke verschijning gelegen laat liggen, bleek hij te beschikken over een formidabele kappersangst. Dat spul was niet voor niets zo lang geworden. Week na week stelde hij het noodzakelijke kappersbezoek uit. Misschien gaat die hele reis niet door, redeneerde hij, er wordt vast een negatief reisadvies afgegeven, en dan zit je zomaar zonder haar. Het was in Iran dat hele voorjaar onrustig geweest, nu er verkiezingen werden gehouden, nadat Ahmadinejad de verkiezingsoverwinning had geclaimd.

Een week voor vertrek staakte Majoor, gelijk met de oppositie in Iran, zijn verzet. Zwijgend betraden we de kapsalon, waar harde r&b-muziek opstond. Ze zijn eigenlijk gespecialiseerd in extensions, dreads en ontkroezen, zo stond op het raam geschreven. Ik legde uit wat er te gebeuren stond. Of de kapper misschien wist wat fatsoenlijk wordt geacht in verre moslimlanden? Hij wist het niet. Surinamers hangen niet met Marokkanen rond. Die hebben hun eigen kapper. Zorgelijk bekeek de jongeman de steile blonde slierten die Majoor ruim over de schouders vielen. Hij draaide de muziek wat minder luid. Majoor volhardde in zijn zwijgen. Zodra hij in de stoel had plaatsgenomen, hem het groene schort was omgegord, verliet ik de zaak om even een boodschap te halen. En nog een boodschap. De kapper deed er een uur over om iets als een model, nog altijd halflang, uit die meter haar te knippen. Mij viel het resultaat reusachtig mee. Ik moest een tientje meer afrekenen dan op de menukaart stond aangegeven. Majoor stond op het punt in tranen uit te barsten. Thuisgekomen sloot hij zich op in zijn kamer.

We hebben verder nooit ruzie. Hij doet alles eigenlijk vanzelf wel goed. Wat hij minder goed doet begrijp ik wel. En als hij met dat stomme haar wil rondlopen, mij best. Ik mocht dat van mijn vader niet. Ik heb er hartstochtelijk naar verlangd, in mijn tijd, om het langste haar te hebben van iedereen, en daarmee het hipst te zijn. Ik ben nog fatsoenlijk opgevoed, ziet u, met tafelmanieren enzo. Majoor is dat allemaal niet. Ik geloof niet dat ik over een hoog ambitieniveau van opvoeden beschik. Ik zou wel willen dat hij wat vaker onder de douche gaat. „Je stinkt”, zeg ik dan. „Ach. Valt wel mee”, antwoordt hij.

We hebben allebei een paar sokken waarop geschreven staat dat we Gerrit heten. Zo heten wij dus niet, Gerrit. De humor van het theezakje. Majoor draagt onder die sokken one-star sneakers van Adidas, jaar na jaar een grotere maat van hetzelfde model, zwarte T-shirts boven donkerblauwe afzakspijkerbroeken, afgemaakt met zo’n dik vest met een hoodie eraan. Dat vest moet dan ook weer zwart zijn. Er mag niets op geschreven staan.

Twee dagen per week zijn we bij elkaar. We hebben er allebei genoeg aan, geloof ik. Majoor is een loner, net als ik. Hij zal vast wel iets zoeken, maar heeft geen idee wat. Hij heeft een paar vrienden, die hij tamelijk kritisch bekijkt. Majoor wordt altijd door anderen uitgezocht. Hij laat het allemaal tamelijk gelaten over zich heen komen. Pelle, bijvoorbeeld, is zo’n vriend. En Bob, die in de eerste klas van de lagere school zijn gezelschap zocht, welke verbintenis dankzij Bobs vasthoudendheid tot op de dag van vandaag behouden bleef, al bezoeken ze nu andere middelbare scholen. Bob is hardcore Montessori, Majoor koos voor de klassieke talen, zonder aanwijsbare talenknobbel. Een klein wit schooltje. Hij weet best dat hij zich in die andere wereld, die van de Vogelaarwijk waarin zowel zijn vader als zijn moeder wonen, niet zou handhaven.

Ik kan vooral goed met deze Pelle opschieten, een uit Zweden afkomstige, tamelijk vreemde jongen. Pelle is erg netjes opgevoed. Als hij ’s middags uit school met Majoor mee naar huis komt, geeft hij een hand bij binnenkomst. Hij roept met veel buigingen en glimlachjes: „Een goede dag meneer! Hoe maakt u het?” Als hij blijft eten, vertelt hij dat de maaltijd hem uitzonderlijk goed smaakt. Soms blijft hij logeren. Dan geeft hij een hand wanneer hij slapen gaat, zegt: „Welterusten, meneer!” om de volgende morgen opnieuw handen te schudden, wanneer de nacht succesvol is doorgebracht. Dezelfde procedure herhaalt zich nog eens wanneer hij vertrekt. Hij bedankt uitvoerig voor de genoten gastvrijheid, het heerlijke ontbijt. Pelle beschikt over de theatrale persoonlijkheid die Majoor volledig ontbeert. Hij snijdt zichzelf met een aardappelschilmesje, op school, en laat zich vervolgens gewillig per ambulance afvoeren: „Mogen de sirenes aan?” De eerste keer dat je zoiets hoort ben je geschokt, als ouder. Maar het went snel. De verwondingen zijn nooit ernstig. Majoor haalt er zijn schouders over op. „Bij mij in de klas zijn er zo al drie, vier lui die dat doen.” Pelle belt dan een uur later uit de polikliniek of Majoor hem weer kan komen ophalen. Want zijn fiets staat nog op school. Dan stapt Majoor zuchtend op zijn oparijwiel met dat bungelende theezakje eraan om dat hele rotstuk naar het ziekenhuis te rijden.

Van die zomerse reis naar Iran keerde hij terug met een waterpijp. Hij heeft er een keer hoestend van gerookt. Op zijn verjaardag dronk hij een voorzichtige slok wijn mee, uit mijn glas. Hij heeft weleens een jointje geprobeerd, maar werd er voornamelijk duizelig van. Voor zijn verjaardag kon hij geen cadeau bedenken. Hij bezit die fiets, een laptop, een iPod met 160 GB erop, helemaal vol met illegaal gedownloade muziek. Een telefoon met een abonnement van een tientje per maand, en hij overschrijdt zijn limiet nooit. Je kunt onderzoeken wat je wilt, maar de jongen is een volledige postmaterialist. Graatmager steekt hij nu vijf centimeter boven mij uit. Zijn schoenmaat overtreft de mijne met twee maten.

Als we door de stad gaan lopen, slaat Majoor dikwijls een arm om mijn schouder heen. Tot op hoge leeftijd hebben we hand in hand gelopen. Sinds zijn handen, waarschijnlijk als gevolg van hormonale veranderingen, altijd koud en vochtig zijn, is dat afgenomen. Ik maak mijn hand voorzichtig los, wijs iets aan. Toch ontleen ik aan die klamme hand de bevestiging dat ik een goede vader ben, die twee dagen per week dat ik mijn rol speel. Woensdagochtend vertrekt hij weer. Hij is een lieve, brave jongen. Was dat anders geweest, dan had ik daar, geloof ik, volkomen machteloos tegenover gestaan. Het is niet anders.

    • F. Starik