De dood van mijn vader had mij nu vast een rugzakje bezorgd

Floris V door 'de edelen' omgebracht. Schoolplaat uit 1911 van de hand van Johannes Jurres schoolplaten

Mijn tijd was anders ja, 1949 tot 1970. Heb ik me toen goed gevoeld, beter dan de jongeren nu? Ik dacht het niet. Mijn vader kreeg multiple sclerose toen ik twee was en overleed in 1970. Dat hakte erin. En dat zou het nog doen. Hoewel: toen was je slechts kind van een ernstig zieke vader. Hij kreeg alle aandacht – en dat moest ook – en vrouw en kinderen, die gezond waren, zouden zich wel redden. Dat viel niet mee. Er lag een druk op onze jeugd: oorlog net voorbij, niet over de échte dingen van toen praten.

Kleuterschool leuk? Ja, een redelijk ontspannen tijd. En anno nu pas ontdekken dat het voor een groot deel toch nog wel wérkjes waren die je maakte, vlechtmatjes en zo. Geeft niks. Juffrouwen met hart.

Toen de lagere school, drie of vier jaar bij dezelfde juf ... dat was te veel gevraagd. Het schoot niet op! Elk jaar dezelfde tekeningen op het bord, stilzitten, armen over elkaar voor een schoolplaat van Floris V of een bijbelplaat van Isings. En een schoolrapport met de aantekening ‘Jan kan veel beter’. Ja, dat kon ik misschien wel. Maar hoe dan? Na een verhuizing moest ik voor die aantekening bij het hoofd der school komen. Waarom dat er stond? Ik had geen idee. Thuis ziekte, school traag, moeite met de concentratie, slaapwandelen, die dingen noemde ik niet. Die waren gewoon. Nu, in 2009, wél de vraag: hoe kon je toen eigenlijk je draai vinden?

Dan toch liever opgroeien in deze tijd? Aandacht en begrip voor ‘jonge mantelzorgers’, praatgroepen voor kinderen met een chronisch zieke ouder, scholen veel speelser ingericht, meer spel- en leermiddelen, internet en vooral meer ruimte om jezelf te zijn. Of zou met die aandacht en ruimere blik toch niet alles opgelost zijn? Zou ik, als ik nu kind was, niet via Interne Begeleiders en Remedial Teachers geholpen zijn met zaken waarvan ik nu weet dat die pas na veertig jaar langzaam tot rust komen? Een kind is meer dan zijn situatie. Die situatie en de daaruit voortkomende hinder zou nu misschien ‘een rugzakje’ opgeleverd hebben, een extra financiële bijdrage, maar dan was ik ook een ‘geval’. Ja, er is een fijnmaziger hulpverlenersnetwerk ontstaan. Maar kan die betaalde hulp ooit meer zijn dan symptoombestrijding? Jij moet verder. Met je hele hebben en houen.

Echte hulp bestond ook al rond 1968. In mijn ogen dan. De rector van het Amsterdamse Christelijk Lyceum West riep mij zomaar een keer op zijn kamer om te horen of het allemaal nog wel goed ging. Geen lang verhaal. Luisteren. Geen gedoe over twee keer blijven zitten. Aandacht. Opluchting. En eigenlijk de eerste ‘officiële’ bevestiging dat behalve een vader ook een kind het moeilijk kan hebben.

Hoorde deze interventie thuis in een beter geestelijk klimaat? Of was dit gewoon een aandachtige eenling? Vooral dat laatste. Het doet er niet zoveel toe wat er allemaal mis is in je leven. Storingen behoren er toe. Maar dat iemand daar naar kijkt en het benoemt. Daar zijn we nu niet beter en niet slechter in. Je moet gewoon iemand treffen. Of, wat ik later steeds gemakkelijker deed, op iemand afstappen van wie je dacht dat die je verder kon helpen. Iemand om mee op te lopen.

Zou ik zelf in deze tijd willen opgroeien? Ja. Er zijn deels dezelfde, deels andere problemen. Met de genoegens is het net zo. Ik zou me als jongere nu nog net zo aan het leven wijden als vroeger. Op zoek naar het ware, het echte, het voor mij belangrijkste: liefde en vertrouwen.

Jan K.W. Luth, 1949

    • Jan K.W. Luth