Dankzij de brailleleesregel op de computer kon ik naar een gewone school, studeren - en straks promoveren

Une personne non voyante marche avec une canne blanche électronique qui lui permet de déceler les obstacles en émettant des vibrations dans le manche, le 27 Février 2009 à Bordeaux. Les associations des non voyants tentent de généraliser ses cannes électroniques. AFP PHOTO / JEAN PIERRE MULLER AFP

Moderne communicatie- en informatietechnologie fungeert geregeld als zondebok voor allerlei maatschappelijke kwalen. Ze zou asociaal gedrag in de hand werken, zoals urenlang bellen of hardop naar muziek luisteren in het openbaar vervoer. Of doordat we steeds meer tijd aan ons Facebookprofiel besteden, zouden we onze real life-contacten verwaarlozen. Toch hebben diezelfde nieuwe media ook erg veel mogelijk gemaakt, en dat beseffen jonge mensen met een ernstige visuele beperking, zoals ikzelf, maar al te goed. Zij helpen het zintuig dat wij missen voor een groot stuk te compenseren, waardoor onze kansen op een volwaardig bestaan in vergelijking met vorige generaties aanzienlijk zijn toegenomen.

Dit geldt vooral voor het onderwijs. Sinds eind jaren 80 komen blinde en slechtziende kinderen sneller in een gewone school terecht, omdat de computer de dagelijkse interactie tussen docent en leerling sterk heeft vereenvoudigd. In mijn geval betekende dit dat ik kon lezen wat ik typte via een brailleleesregel, een op de pc aangesloten toestelletje waarop de tekst in braille verschijnt, terwijl de leraar ondertussen mee kon kijken op het scherm. In andere gevallen gebeurt de aanpassing van de computer door middel van spraak- of vergrotingssoftware. Maar het principe blijft dat een visueel gehandicapt kind zich hierdoor zonder al te grote moeilijkheden in een normale klasomgeving kan ontwikkelen, en dat is een hele verademing vergeleken met de traditionele ‘blindeninstituten’. Althans, zo heb ik het ervaren toen ik de overstap naar het reguliere gymnasium mocht maken en het beschermde milieu van de bijzondere basisschool eindelijk achter me kon laten.

Ook op de arbeidsmarkt oogt de situatie veel gunstiger dan voorheen doordat steeds meer visueel gehandicapte jongeren met een diploma uit het hoger onderwijs aan werk komen. Deze stijging van het gemiddelde opleidingsniveau hangt nauw samen met de verbeterde informatievoorziening voor onze doelgroep en dan met name de toegang tot internet die de voornoemde hulpmiddelen ons verschaffen. Wat vroeger mondjesmaat ingelezen of in braille aangeboden kon worden, wordt nu in één klap voor studenten en professionals ontsloten: kranten, databanken, catalogi, woordenboeken, et cetera. Inmiddels doe ik als promovendus literatuuronderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen, zodat ik nog elke dag geniet van het rondstruinen in schatkamers als de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org). Boeken of artikelen die niet digitaal of in audiovorm beschikbaar zijn, kan ik scannen en zo alsnog lezen.

Daarnaast biedt internet ook soelaas wat betreft reisinformatie – ook niet onbelangrijk in deze tijden van ongekende mobiliteit (nou ja, zolang het niet sneeuwt tenminste). Ook Google Maps en Street View stellen slechtzienden in staat routes op onbekend terrein uit te stippelen. Blinden kunnen dan gebruikmaken van lovenswaardige initiatieven als www.mobicam.nl/looproutes waarop de Nederlandse stations stap voor stap worden beschreven, zodat men er zich veel vlotter kan oriënteren.

Bijgevolg mag de gapende informatiekloof tussen goed- en slechtziende mensen van enkele decennia geleden grotendeels gedicht heten. Maar laten we wel wezen, dit is niet louter te danken aan de nieuwe media. Ook de overheden in Nederland en België, waar ik oorspronkelijk vandaan kom, hebben hiertoe serieuze inspanningen geleverd. Mocht een brailleleesregel bijvoorbeeld niet van staatswege vergoed worden, dan zouden veel blinden het, zoals in de VS, moeten doen met alleen de veel goedkopere spraaksoftware.

Nog een bewijs van dit handicapvriendelijke beleid is het systematisch toegankelijk maken van openbare ruimtes door geleidelijnen (ribbellijnen in de ondergrond) aan te leggen en rateltikkers bij verkeerslichten te installeren. Maar misschien wel nog belangrijker: een dergelijke maatschappij waarin een fysieke beperking niet per se een belemmering hoeft te vormen, creëer je alleen door de actieve participatie van zoveel mogelijk betrokkenen: docenten, ambtenaren, werkgevers, (hulpvaardige) mensen op straat, de gehandicapten zelf en hun belangengroepen, enzovoorts.

Kortom, ik prijs mij gelukkig dat ik na 1980 geboren ben. Natuurlijk kan het altijd nog beter en kun je erover klagen dat sommige informatiebronnen, zoals pinautomaten, of bepaalde publieke gebouwen nauwelijks toegankelijk zijn. En natuurlijk valt het te betreuren dat men vooral in de privésector nog te vaak koudwatervrees toont wanneer een blinde of slechtziende op een vacature reageert. En ja, vooralsnog zijn het met name hogeropgeleide slechtzienden die aan de bak komen. Desondanks ben ik hoopvol gestemd. Zolang we de huidige sociale koers met respect voor lichamelijke diversiteit niet verlaten, zullen de kinderen die thans met een visuele beperking opgroeien, meer nog dan mijn generatie, de vruchten plukken van de digitale revolutie.

Piet Devos, 1983

    • Piet Devos