Brief van correspondent

Oscar Garschagen is correspondent in China.

Hij vertelt hoe zijn verhaal hiernaast tot stand kwam en op welke problemen hij stuit.

Shanghai, 24-12-2009

Beste lezer, ni hao,

De redactie van nrc.next weet dat U het interessant vindt om te weten hoe journalistieke keuzes gemaakt worden en met welke dilemma’s een buitenlandse correspondent te maken heeft. Aangezien het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden in artikelen in een vroeg stadium uit mijn journalistieke gen is gebrand, mag ik de briefvorm gebruiken.

Ik hoorde voor het eerst van het bestaan van speciale tehuizen voor kinderen van Chinese gedetineerden en geëxecuteerde misdadigers van een collega. Dat was kort nadat ik in China was aangekomen. Interessant verhaal, wist ik meteen, want rijk aan human interest en een nieuw verschijnsel in een land waar particuliere en non-gouvernementele organisaties schaars zijn, omdat de overheid als de dood is de controle te verliezen.

Tijd om meteen actie te ondernemen ontbrak door het zogeheten grote nieuws (Tibet, aardbeving Sichuan, de Spelen en de economische crisis). Een maand geleden hoorde ik dat een documentairemaker uit Shanghai probeerde toestemming te krijgen om het bezoek van één of meerdere kinderen aan hun vader of moeder in de gevangenis te filmen. Zijn pogingen registeren en daarin het verhaal van de twee indrukwekkende vrouwen, Zhang Shuqin van Sun Village en van Kou Wei van Morning Tears, verwerken, leek mij een goed plan voor een uitvoerige reportage met verschillende lagen en perspectieven. Dat klinkt overigens veel gewichtiger en moeilijker dan het is.

Tussen dit idee en de werkelijkheid stonden, zoals vaak het geval is in de journalistiek, veel praktische bezwaren en ook de Chinese overheid. Buitenlandse journalisten mogen niet in Chinese gevangenissen komen, zo bleek na twintig faxen en e-mails. Op het ogenblik worden ook geen Chinese filmers en al evenmin familieleden van gevangenen toegelaten wegens het Mexicaanse griepvirus.

Ik heb mijn ambities enigszins bijgesteld (dat mag niet gelezen worden als afgezwakt) en ben alleen op bezoek gegaan bij de kinderdorpen en heb met een hoogleraar in Peking een achtergrondgesprek gevoerd over het nieuwe verschijnsel van non-gouvernementele organisaties in China. Er waren geen restricties of het moest zijn dat wij ons in Henan moesten voordoen als donateurs en niet als journalisten, want dat zou een hoop bureaucratische rompslomp met zich meegebracht hebben.

Het gebeurt zelden dat ik verzwijg of onduidelijk laat dat ik een journalist ben, want de omstandigheden voor buitenlandse journalisten in China zijn in de aanloop naar de Olympische Spelen sterk verbeterd. Tegenwoordig kunnen buitenlandse correspondenten gaan en staan waar zij willen met uitzondering van sommige Tibetaanse gebieden. Dankzij het snel ontwikkelde netwerk aan openbaar vervoer (snelle treinen, luxe bussen en de nieuwste vliegtuigen) is iedere uithoek vanuit Shanghai binnen een dag te bereiken.

Toegang krijgen tot bedrijven en gewone mensen is net zo makkelijk of moeilijk als in de VS of Europa. Bedrijven praten overal ter wereld alleen als zij daar belang bij hebben en dat is in China niet anders. Gewone mensen praten vrijwel altijd, is mijn ervaring. Zeker als zij trots op iets zijn, grieven hebben of overmand zijn door verdriet omdat zij kinderen of familie hebben verloren bij een ongeluk of een ramp. Degenen die wat huiverig zijn omdat zij nog nooit een buitenlander hebben ontmoet, ontdooien meestal als mijn assistente onze bedoelingen heeft uitgelegd.

Daarbij hou ik bewust rekening met het feit dat zij meer last kunnen krijgen van hun contact met een buitenlandse journalist dan ikzelf. Door het gebruik van alleen achternamen kan ik hen enigszins beschermen.

Tegenover de betrekkelijke openheid van gewone mensen en het internet – ondanks de censuur een hele belangrijke bron van ideeën – staat een altijd wantrouwige en kopschuwe Chinese overheid die als het om zogeheten gevoelige kwesties gaat altijd medewerking weigert en soms tracht ons werk te hinderen.

Wij, mijn Chinese assistente en ik, zijn de afgelopen twee jaar drie keer voor korte tijd aangehouden en een paar keer gefotografeerd door agenten in burger bij bezoeken aan dissidenten of mensen die in een arbeidskamp opgesloten zijn geweest.

Ongemakkelijk, ergerniswekkend, frustrerend wegens het tijdverlies, maar niet werkelijk gevaarlijk of bedreigend. Televisiejournalisten lopen doorgaans meer risico’s te worden gearresteerd of te worden afgetuigd door hooligans in staatsdienst met geschoren, vierkante koppen.

Pogingen om te weten te komen wat er in politiek Peking achter de schermen speelt, lopen vrijwel altijd op niets uit. Chinese leiders zijn volstrekt ontoegankelijk. President Hu geeft gewoon nooit interviews of persconferenties. Hoe de hoofdrolspelers beleid maken, welke discussies er gevoerd worden, who’s up, who’s down, al dat soort zaken blijft moeilijk te doorgronden. Schrijven over politiek in China is onvermijdelijk en plaatst iedere correspondent voor een dilemma.

Daarom kies ik liever voor sociale en economische thema’s, voor verhalen waar ik wel dichtbij de kern kan komen en daarom werk ik vanuit het vrijere Shanghai en niet vanuit het politiekere Peking, waar buitenlandse journalisten strenger worden gecontroleerd. Al mijn keuzes zijn raak en arbitrair tegelijkertijd en hebben nooit de pretentie een compleet beeld van dit onmetelijke land te kunnen geven. Maar dat vermoedde U al.

Zaijan, tot ziens

Oscar Garschagen

(Amsterdam, 1952)