Bij het schrijven had ik gewoon mijn linkerhand mogen gebruiken

Gaarkeuken in Washington D.C. in 1936 Foto: Franklin D. Roosevelt Presidential Library and Museum gaarkeukens Franklin D. Roosevelt Presidential Library and Museum

Als ik in deze tijd was opgegroeid, was ik ’s nachts niet wakker geschrokken van luchtalarm. Ik had niet geweten hoe vies de grijze soep van de gaarkeuken was. Ik had geen difterie gekregen. Bij het leren schrijven had ik gewoon mijn linkerhand mogen gebruiken en als mijn schrift vol was had ik niet alles uit hoeven gummen (vanwege de papierschaarste).

Geboren in 1938. Dat klinkt niet als een florissante start. Toch heb ik een heerlijke jeugd gehad. De naoorlogse jaren herinner ik me als een periode van zorgeloze vrijheid, van eindeloos buiten spelen in een buurt waar nauwelijks auto’s waren, van urenlang ongestoord lezen, verzonken in een andere wereld.

In de tijd na de oorlog was aan alles gebrek, er waren levensmiddelen op de bon, maar als je ouders daar niet over klaagden, besefte je dat niet als kind. Dat je weinig speelgoed had viel ook niet op, want de schaarste was eerlijk verdeeld. Hoewel, niet helemaal. Ik was jaloers op die ene jongen met een trapauto. Andere jongens mochten die soms even gebruiken, meisjes nooit.

Ik wil niet beweren dat kinderen toen met heel weinig tevreden waren en dat het kind van nu ‘te veel’ heeft. Wij hadden niet het gevoel dat we iets misten, maar als we destijds door een gril van een tijdmachine opeens een computer of een mobieltje hadden gekregen, hadden we ongetwijfeld nooit meer zonder gewild.

Tegenwoordig hebben kinderen meer mogelijkheden om zich te ontplooien. Ze lijken mij zelfbewuster en vrijmoediger dan wij vroeger waren. Maar als ik denk aan die zeeën van ongestructureerde vrije tijd en die bijna autoloze straten, ben ik toch blij dat ik een jong kind was in die tijd na de oorlog.

Een jong kind, maar een puber? Er is veel kritiek op het huidige onderwijs, maar in de jaren 50 had ik mijn geluk niet opgekund als mijn streng klassikale middelbare school meer individueel was gaan werken, als je niet de hele dag passief in je bank had hoeven zitten, als de leraar je soms had gezien als volwaardige gesprekspartner en als je in een lange broek naar school had mogen gaan – kortom, als mijn schoolleven eruit had gezien zoals dat van de leerling van nu.

Als ik aan de jaren 50 denk, denk ik aan hokjesgeest, schijnheiligheid, onvrijheid. Op mijn twaalfde was ik graag naar deze tijd gevlucht.

Ellen Roscam Abbing, 1938.

    • Ellen Roscam Abbing