Van de vernietiging is weinig meer te zien

Vijf jaar geleden verloor Ezwar Zakaria zijn vrouw, huis en werk door de tsunami.

Hij heeft, net als de meeste inwoners van Banda Atjeh, zijn leven weer opgebouwd.

Op de plek waar nu een netjes aangeharkt herdenkingspark voor de slachtoffers van de tsunami ligt, stond het huis van Ezwar Zakaria. Vlak ernaast – op drie kilometer afstand van de zee – ligt een 63 meter lang schip. Het werd meegebracht door de enorme vloedgolf die ook de vrouw van Ezwar meesleepte. „Mijn kinderen bleven in de buurt van die boot nog maanden zoeken naar hun moeder”, vertelt hij.

Op de zondagochtend van de tsunami, Tweede Kerstdag vijf jaar geleden, was Ezwars gezin thuis, in Banda Atjeh. Drie golven overspoelden hen. Ezwar (42) doet voor hoe de hand van zijn vrouw uit de zijne glipte. Zijn vier kinderen, de jongste nog een baby, vond hij levend terug toen het water wegtrok. Het lichaam van zijn vrouw werd nooit gevonden. Het ligt waarschijnlijk in een van de vele massagraven in Banda Atjeh, de hoofdstad van de Indonesische provincie Atjeh.

Ezwar haalt een pasfoto van zijn vrouw uit zijn portemonnee. Die heeft hij kunnen redden uit de ruïnes van hun oude huis. Ze was grappig, praatte gemakkelijk met mensen, vertelt hij in de tuin van zijn huisje. Een klein vuurtje van tuinafval smeult. Zijn jongste dochter van drie – Ezwar is inmiddels hertrouwd – besmeurt zich met babypoeder. Hij heeft zijn leven weer kunnen opbouwen.

In Banda Atjeh is weinig meer te zien van de enorme ravage die de tsunami aanrichtte. Dankzij alle nieuwbouw ziet het er hier netjes en schoon uit. De wegen zijn beter dan in andere Indonesische provinciesteden. Bijna alle 500.000 mensen die in de provincie Atjeh dakloos raakten, hebben dankzij hulpgeld een nieuw woninkje met voortuin gekregen. Veel van hen wonen mooier dan vóór de vloedgolf.

Scholen zijn herbouwd, wel minder dan voorheen, want er zijn niet genoeg kinderen overgebleven om ze te vullen, en de meeste hulporganisaties vertrokken afgelopen jaar. De wederopbouw is af en wordt in Indonesië en daarbuiten als een succes beschouwd.

Slechts honderd families wonen nog in een vluchtelingenkamp. Er rennen kleine blote kinderen rond, vrouwen wassen hun kleren met de hand bij de paar kranen die er zijn. Veel van hen waren huurders en zeggen dat de huurprijzen nu te hoog zijn om iets nieuws te vinden. Of ze zijn na de ramp getrouwd en alleen hun ouders kwamen in aanmerking voor een nieuwe woning. Het gerucht gaat dat het complex in april wordt gesloopt, zeggen de vrouwen.

Ezwar en zijn kinderen sliepen de eerste nacht na de tsunami op het gestrande schip, samen met honderden andere overlevenden. Daarna woonden ze een paar maanden bij zijn ouders, die zo ver van zee woonden dat ze niet waren geraakt. Ze leefden van voedselhulp.

Na drie maanden verhuisde Ezwar terug naar zijn oude huis. Hulpverleners hadden het puin geruimd en er stond nog één kamer overeind, waar hij en zijn kinderen konden wonen. Hij begon er een klein winkeltje voor boottoeristen. Familieleden boden aan de kinderen, toen tussen 1 en 12 jaar oud, in huis te nemen. Maar ze bleven liever bij hun vader, ook omdat ze bang waren.

Ezwar heeft niet veel gezien van de 6,7 miljard dollar aan hulpgelden die Atjeh overspoelde. Maar hij klaagt niet. Hij kwam niet in aanmerking voor een huis, want vóór de tsunami huurde hij zijn huis. Hij verdiende zijn geld door met een minibusje mensen naar Medan te rijden, de hoofdstad van Noord-Sumatra. Maar zijn busje was door de tsunami verzwolgen en niet verzekerd. Op eigen kracht kwam hij stukje bij beetje vooruit. Na een jaar verhuisde hij en huurde hij een winkeltje waar hij nasi goreng en koffie verkocht.

Nu kijkt Ezwar elke middag uit over zee, als hij maïs roostert en bami verkoopt aan dagjesmensen bij de haven. Het gezin is net verhuisd naar een nieuw huurhuis. Groter dan dat van vroeger, zegt hij tevreden. De vloer en de muren zijn van kaal beton, de keuken bestaat uit een hoopje pannen en een gasbrander in een hoek van de huiskamer. Op de grond ligt zijn nieuwe vrouw te slapen.

„Geld verdienen is nu veel makkelijker geworden”, zegt Ezwar. Dat komt ook door de politieke ontwikkelingen in Atjeh. De ramp zorgde voor een doorbraak in de vredesonderhandelingen tussen de regering en de Beweging voor een Vrij Atjeh (GAM). Al drie decennia streed deze afscheidingsbeweging tegen het Indonesische leger, met zo’n 15.000 doden tot gevolg. Ruim een half jaar na de tsunami bereikten de partijen een vredesakkoord.

Ezwar herinnert zich hoe mensen vroeger binnenbleven na het avondgebed van zes uur. Zelf plande hij zijn reizen naar Medan zo dat hij het gevaarlijkste deel van de route, langs plaatsen als Lhokseumawe en Langsa, overdag kon afleggen. Hij vertelt over de vele wegversperringen, de angst voor het leger dat ’s avonds de straten schoonveegde en mensen ondervroeg. Nu staat hij tot tien uur ’s avonds zijn maïs te verkopen. „Het is een groot verschil met vroeger. Nu is het veilig.”

Hij verdient nu wel minder dan vóór de tsunami. Met zijn stalletje haalt hij op zijn hoogst 2 miljoen roepia (150 euro) per maand binnen, terwijl dat vroeger met zijn minibus meer dan 3 miljoen was. Toch is Ezwar gelukkiger met deze baan. „Ik kan mijn kinderen zien opgroeien. Ik heb drie zoons; zo kan ik tenminste zien met wie ze omgaan.” Hij baalt alleen dat hij moeilijk aan kapitaal kan komen, want liever zou hij een echte winkel huren. Nu kan hij niets verkopen als het regent.

De baby van destijds is nu een verlegen meisje van zes. Zijn oudste zoon, al even verlegen, zit nu in de laatste klas van de middelbare school en hoopt te worden aangenomen bij de opleiding voor ambtenaren. Het gaat goed met het gezin, zegt Ezwar.

Aan de tsunami denken ze niet vaak meer. Alleen als er weer een herdenking aankomt, zoals nu. Of als er een aardbeving is, zoals eerder dit jaar in Padang. En bij feestdagen zoals het Suikerfeest, wanneer Ezwar met alle kinderen naar het massagraf gaat om te bidden voor hun moeder.