Landgoed Beeckestijn

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

‘Driss!” hoorde ik weer. Ik draaide me om en keek in het rond. Uit de feestende massa van de Santpoortse feestweek wrong zich een blond meisje dat mijn kant op kwam. Weer dacht ik een zinsbegoocheling te zien. Ook zij leek net als alle andere blonde meisjes van de feestweek op Jolanda. „Driss, wat is er met je aan de hand?” zei ze. „Gaat alles wel goed?”

De stem, het gezicht, het haar, de geur, de lengte – alles wees er op dat het Jolanda was. Ze stond echt voor me, maar ik was te murw gebeukt om te reageren op haar verschijning waarnaar ik zo lang had verlangd. „Kom mee”, zei Jolanda en trok mij aan mijn hand. „Je moet weg hier.”

Ze leidde me weg van het dorpsfeest en bracht me naar haar fiets die een eindje verderop tegen een boom aan stond. Ze stapte er op en zei: „Kom mee.” Ik ging op de bagagedrager zitten, nog steeds niet realiserend dat ik Jolanda in mijn nabijheid had. Ik was maar net aan het bekomen van de verschrikking die de Santpoortse feestweek heet. Naarmate we verder weg fietsten van Santpoort verstomde het lawaai. De rust keerde terug in mijn hoofd.

„Jolanda?” zei ik. „Ja?” antwoordde ze.

Het was echt waar. Dit was geen illusie. Ik zat achterop bij Jolanda Tielemans, het meisje met wie ik vier jaar geleden verkering mee kreeg, toen ik nog niet eens wist wat verkering was, het meisje dat mij de keerzijde van de liefde liet zien, toen ik nog dacht dat de liefde geen keerzijde kende.

„Waar gaan we naar toe?” „Sssh, dat zie je zo wel”, antwoordde Jolanda. We fietsten over een landweg een bebost gebied binnen. Ik was hier nog nooit geweest en was verrast door de prachtige natuur. Overal stonden hoge bomen in een bruine laag van takken, bladeren en wildgroei. Het zonlicht sijpelde door de boomtoppen; het was alsof we door een fijne, goudkleurige haag van regen fietsten. Voorbij het bos lag aan onze linkerzijde een uitgestrekt weiland. Rechts van ons stond een wit buitenhuis. Het was een antiek gebouw waarvan je verwacht dat er een prins of een rijke edelman in zou wonen.

Jolanda zette haar fiets tegen het hek van het gebouw. Samen liepen we over het grindpad het landgoed op. We gingen op het gras zitten tussen struiken die in allerlei fraaie vormen waren geknipt. Lange tijd zwegen we. De breuk had niet alleen toegeslagen in onze relatie, maar liep ook dwars door de vertrouwde omgang met elkaar. „Mooi he, hier”, zei Jolanda terwijl ze om zich heen keek. „Landgoed Beeckestijn, zo heet het. Vroeger kwamen we hier altijd in de zomer met de familie picknicken. Het is er altijd zo rustig en fijn.” Jolanda plukte een grassprietje uit de grond en rolde hem tussen haar vingers. Ze had haar gezicht van me afgewend en staarde naar het immense gebouw.

„Weet je, Jolanda”, zei ik, „Afgelopen weken heb ik elke nacht liggen piekeren over één vraag: wat heb ik haar in godsnaam misdaan?” In mijn stem klonk venijn. Mijn verdriet was langzaam in gif aan het veranderen. „Je hebt alle reden om mij te haten”, zei Jolanda. „Ik haat je niet.” „Ik zou je gelijk geven als je het wel deed.” „Het enige wat ik wil, is antwoord op mijn vraag.” „Ik weet het niet, Driss”, zei Jolanda. „Of eigenlijk weet ik het wel, maar het antwoord is té groot, té gecompliceerd. Ik zou niet weten waar ik moet beginnen.”

Ze legde haar hoofd in mijn schoot, keek me kort aan en richtte haar blik op de tuinen. „Laten we eerst hier van genieten.”

Driss Tafersiti