Kerktorens en minaretten

Oude kerken zijn bijna altijd mooi, nieuwe kerken bijna nooit. In Nederland zijn er niet zoveel nieuwe, maar elders zie je nieuwe(re) kerken nog regelmatig. Als ze katholiek zijn dan zijn ze te strak en te sober – een soort crematoriumarchitectuur. Snel opkomende christelijke geloofsgemeenschappen, zoals de pinkstergemeente en baptisten, hebben niet zoveel behoefte meer aan speciale kerken. Zij zoeken het in grote hallen, die meestal ook beter geschikt zijn voor televisieopnamen.

Waarom zijn oude kerken bijna altijd mooi?

Waarom oefenen oude kerken en kloosters in Spanje en Italië een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit, waarom verveelt het zoveelste kapelletje niet? Het ligt natuurlijk aan de kijker. Waarschijnlijk omdat het vertrouwd is of meer nog: het maakt je ervan bewust dat je deel bent van een veel groter geheel. Want of je religieus bent of niet – het zijn onze Europese wortels. Een nieuw kerkgebouw levert zoiets niet. Dat staat er specifiek voor toegewijde hedendaagse gelovigen, het legt verder nergens getuigenis over af. Marita Mathijsen vertaalde Huizinga’s „historische sensatie” voor het heden in haar Huizingalezing vorige week vrijdag zo: „We geloven niet meer in een hiernamaals. Laten we dan in een hiervoormaals geloven. Dat is niet moeilijk. De tekenen van het verleden zijn overal zichtbaar.” (Verkort afgedrukt in Opinie & Debat van zaterdag 19 december.)

Maar is dat ook niet de moeilijkheid met nieuwe minaretten in het West-Europese landschap?

Ze staan er voor toegewijde gelovigen, maar het oefent voor de rest geen aantrekkingskracht uit. Qua architectuur komt het soms gevaarlijk dicht bij Anton Pieck: een tijdsmachine zonder geschiedenis. Als de Moren in de Middeleeuwen verder waren gekomen dan Granada, had een van de mooiste Europese gebouwen, het Alhambra, misschien in Brussel of Antwerpen gestaan. Dan had je misschien weer heel anders geoordeeld over minaretten in Vlaanderen en Brabant, maar nu is het als met nieuwerwetse kerken – architectonisch meestal geen aanwinst.

Cultuurhistorische vooringenomenheid is lastig kwijt te raken. Als je als Europeaan naar de tempels van Angkor Wat reist, zul je bij de eerste aanblik perplex staan van zoveel grandeur – dat overkwam mij althans. Het overweldigt en je begrijpt dat het mooi is. Maar anders dan voor de Aziaat die daar rondwandelt, is identificatie voor de bezoeker uit het avondland lastig. Het is hun geschiedenis, hun cultuur, hun plaats om te beseffen dat ze deel zijn van een groter geheel. Het zijn hun hindoeïstische en boeddhistische wortels, primair hun historische sensatie.

Mag je een minaret in een Europees landschap bij tijd en wijle minder mooi vinden? Dat is lastig, want alle alarmbellen inzake vreemdelingenhaat en politieke islam gaan dan meteen af. De uitslag van het Zwitserse referendum van drie weken geleden galmt nog na en daar ging het niet om de minaret als esthetische categorie. Daar ging het gewoonweg om de angst voor vervreemding en voor de politieke islam. De minaret werd er niet als verkeerd vignet voor een skipiste maar als ongewenst maatschappelijk symbool uit het landschap verbannen.

De uitslag van het Zwitserse referendum zou wel eens een staartje kunnen krijgen ver buiten de Alpenrepubliek. Vanuit de Alpen wordt voor de komende tijd een dubieus instrumentarium aangereikt om grenzen te markeren. In de curieuze identiteitsdiscussie die in Frankrijk van hogerhand anderhalve maand geleden is gestart, duiken de minaretten de laatste weken steeds vaker op. De Franse president drukt zich verdacht subtiel uit wanneer hij erover spreekt: „Laten we proberen te begrijpen wat (de Zwitsers) probeerden uit te drukken en wat zoveel volken in Europa, inclusief de Fransen, voelen.”

In Duitse talkshows merk je een discrepantie tussen de dames en heren deelnemers in de studio en de e-mails en telefoontjes van toeschouwers: de deelnemers in de studio spreken vooral schande van het Zwitserse referendum, de e-mails vanuit de huiskamers leveren vooral applaus.

De uitgever en hoofdredacteur van het conservatieve Zwitserse blad Weltwoche, Roger Köppel, heeft zich inmiddels tot spreekbuis gemaakt van al die Zwitsers die schoon genoeg hebben van de vermaningen uit het buitenland. „Het is een schandaal dat men nu probeert een meerderheidsbeslissing van de burgers na maandenlange zakelijke discussie terug te draaien, enkel en alleen omdat het een elite niet bevalt.” Kortom, de toon is gezet.

Geleidelijk aan komt ook uit intellectuele hoek wat meer voorzichtige bijval voor de angstige Zwitsers. Voor Verlichtingsfundamentalisten deugt religie eigenlijk toch al nooit, is het christendom inmiddels redelijk geneutraliseerd maar de islam nog altijd een gevaar. De echte secularisten vinden sowieso dat een liberale democratie pas kan functioneren wanneer religie zo ver mogelijk uit het openbare leven is verjaagd. En dan niet alleen uit het publieke en politieke leven, maar ook uit de samenleving zelf.

Het is een heilloze polemiek. Het radicaliseert en provoceert alleen maar. Het miskent dat het overgrote deel van de wereld op enigerlei wijze religieuze gevoelens koestert en het bemoeilijkt de ontwikkeling van een eigentijdse islam in Europa.

Overmorgen is er veel geloofsverkeer in Europa. De overgrote meerderheid van de Europeanen behoort tot de categorie van christenen-van-de-grote-momenten-van-het-leven en gaat met Kerstmis naar een kerk. En moslims gaan toevallig ook naar de moskee, want het is vrijdag. Wat zal er over elkaar worden gezegd? Respect en verdraagzaamheid zijn woorden die je mag verwachten. Zo hoort het.

Maar welstandscommissies en gemeenteraden in Europa krijgen het nog lastig met de Zwitsers. Want kun je nog met goed fatsoen nieuwe minaretten lelijk vinden en oude kerktorens niet?

U kunt een reactie achterlaten op nrc.nl/knapen

    • Ben Knapen