In tien tellen beslist over leven of dood

Zonder zijn vrouw te kunnen groeten, verdween Jules Schelvis uit Sobibor. Hij getuigde gisteren over zijn oorlogsjaren tijdens het proces-Demjanjuk.

Achttien familieleden van de Nederlandse drukker en typograaf Jules Schelvis zijn in 1943 in het Duitse vernietigingskamp Sobibor vermoord. Zijn vrouw heeft hij er verloren, z’n grootouders, neven, nichten, ooms, tantes en anderen. Zelf heeft hij dit oord van verschrikking overleefd.

Nu mag Schelvis (88) zijn verhaal vertellen aan een rechter in München, in de zaak tegen John (Iwan) Demjanjuk – de man die beschuldigd wordt van medeplichtigheid aan moord op 27.900 joden in Sobibor. Het is mogelijk het laatste grote naziproces in Duitsland.

Schelvis zou je een kroongetuige kunnen noemen. Hij heeft een goed gedocumenteerd boek over Sobibor geschreven; zonder hem zou de rechtszaak tegen Demjanjuk (89) niet zoveel Nederlandse medeaanklagers tellen. Een kleine man met pientere ogen. Hij is typograaf geweest, en was tot 1981 hoofd van de drukkerij van Het Vrije Volk in Rotterdam. Hij formuleert heel precies.

Demjanjuk en Schelvis zijn ongeveer even oud. De verdachte ligt roerloos op een bed in de Münchense rechtbank. De geboortige Oekraïner zou als bewaker in Sobibor hebben gediend; een knecht van de nazi’s, ondermeer belast met het naar de gaskamers sturen van joden die in de veronderstelling verkeerden dat ze gingen douchen en daarna aan de slag zouden gaan in een werkkamp. Kort na aankomst in Sobibor was vrijwel iedere gedeporteerde dood.

Schelvis is op 25 mei 1943 vanuit zijn woonplaats Amsterdam met 3.335 andere opgepakte joden naar het doorgangskamp Westerbork overgebracht. Hij vertelt op verzoek van rechter Ralph Alt gedetailleerd over de reis, de aankomst en zijn korte verblijf daar. Op 1 juni 1943 vertrekt hij „naar het oosten”. Per veewagon zonder verdere voorzieningen. Alleen een vat water en een ton voor de behoefte. In Schelvis’ wagon zijn 62 mensen gepropt plus een kinderwagen waarin een baby ligt.

Schelvis: „In Sobibor werden de treinwagons op een rangeerterrein gereden. Daar was onze wagon de voorste. De eerste indruk van het kamp viel mee. Tiroler huisjes met bloemen en gordijnen voor de ramen. Vanaf het perron gingen we links het kamp in, waar we in een barak onze bagage moesten afgeven. Buiten stond een SS’er die mannen en vrouwen scheidde. Ik heb mijn vrouw niet meer kunnen groeten of kussen.”

Schelvis belandt vervolgens op een groot veld. Hij behoort niet tot een groep van tachtig geselecteerde jonge en krachtige mannen. „Uit intuïtie” vraagt hij een SS’er of hij zich bij die groep mag voegen. Bent u gezond, hoe oud bent u en spreekt u Duits, vraagt de SS’er. Schelvis geeft antwoord. „Toen zag ik hem denken – en over leven of dood beslissen”. Tien tellen later is Jules Schelvis de 81ste man van de groep joden die het kamp kan verlaten en in een urenlange treintocht naar Trawniki wordt gebracht, om daar in de buurt turf te gaan steken. Het belangrijkste: hij is levend uit Sobibor gekomen.

Rechter Alt laat hem zonder onderbreking vertellen. Schelvis voegt zich bij typografen en drukkers die weten dat de Duitsers zulke vaklui nodig hebben. Twee weken later worden ze naar een buitenkamp van Majdanek gebracht, ‘Alter Flugplatz’. „Wat ik daar heb gezien is nauwelijks voorstelbaar”. Zijn stem breekt als hij over moord en doodslag vertelt.

Korte tijd daarna kan hij met de drukkers naar een getto in de stad Radom. „Daar kwamen we van de hel in de hemel. We hadden eten, sigaretten en onderdak”. Het is van korte duur. Begin november 1943 voeren de nazi’s in Polen ‘Aktion Erntefest’ (operatie oogstfeest) uit, de cynische benaming van een massamoord op tienduizenden joden. Het getto waarin Schelvis woont en werkt, wordt opgeruimd. „Tanks, soldaten, mitrailleurs. Mensen worden op straat doodgeschoten”. Even daarvoor had hij voor het eerst kennisgemaakt met Oekraïense bewakers die voor de nazi’s werkten. „We wisten dat die erger waren dan de SS”.

In de zomer van ’44 komt Jules Schelvis in het concentratiekamp Auschwitz, waar hij bij een selectie wederom aan de kant van het leven staat. In de laatste oorlogsmaanden werkt hij in een kamp in Zuid-Duitsland. Dat wordt op 8 april 1945 door één Franse soldaat bevrijd. Schelvis heeft vlektyfus. „Ik dacht: nu ben ik er geweest”. Maar het leven zegeviert. Twee maanden later wordt hij uit het ziekenhuis ontslagen en gaat terug naar Nederland.

Tijdens het verhaal van Schelvis draait John Demjanjuk zich op zijn bed op z’n zij. Het is niet te merken of tot hem doordringt wat de tolk voor hem vertaalt, in het Oekraïens – zijn moedertaal.

    • Joost van der Vaart