Elvis leeft! (En de aarde warmt helemaal niet op)

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de opmars van complottheorieën.

John F. Kennedy is vermoord door de Amerikaanse regering, de maanlanding heeft plaatsgevonden in een filmstudio, het aidsvirus is door wetenschappers verspreid, de Wereldbank veroorzaakt opzettelijk financiële crises, de farmaceutische industrie maakt mensen ziek uit winstbejag, Elvis Presley heeft zijn eigen dood in scène gezet, de Holocaust is verzonnen door zionisten en de wereld wordt in het geheim bestuurd door een groep genaamd Bilderberg.

Complottheorieën zijn van alle tijden. Over bijna elke natuurramp, crisis, epidemie of moordaanslag doet wel een samenzweringsverhaal de ronde. Doorgaans blijft het aantal mensen dat erin gelooft beperkt tot een zeer kleine minderheid van radicale activisten of orthodoxe godsdienstigen. Maar de laatste tijd lijken complottheorieën mainstream te zijn geworden: ook politici, prominenten en een groeiend aantal burgers geloven erin.

Zo is het verzet tegen vaccinaties geen marginaal verschijnsel meer dat alleen in gereformeerde kring voorkomt. Door complottheorieën op internet – over corrupte farmaceuten, vervuilde vaccins en door de overheid verzwegen bijwerkingen – weigeren steeds meer mensen zichzelf en hun kinderen te laten inenten tegen ziektes, waaronder de Mexicaanse griep. De anti-vaccinatiestemming is in Nederland zelfs zo groot, zegt Roel Coutinho van het Centrum Infectieziekten, dat het een „bedreiging voor de volksgezondheid kan opleveren”.

De laatste weken groeit ook de scepsis over klimaatverandering. De theorie dat de opwarming van de aarde helemaal niet wordt waargenomen, maar door milieuactivisten en wetenschappers is bedacht om draconische milieumaatregelen door te kunnen drukken, wint gestaag aan invloed – en niet alleen in kleine achterafzaaltjes of op obscure internetfora.

Zo stelde schrijver Leon de Winter begin deze maand in NRC Handelsblad dat er geen wetenschappelijke consensus over klimaatverandering zou bestaan en waarschuwde hij voor „individuen en organisaties die willen voorkomen dat het brede publiek te weten komt dat de ‘harde’ wetenschap van klimaatonderzoekers misschien zo zacht is als boter”.

Ook voorzag De Winter dat „milieuactivisten in Kopenhagen zullen pleiten voor het opzetten van een soort wereldregering” die „alle activiteiten die met productie van goederen en diensten te maken hebben [...] onder curatele wil plaatsen” – een opvatting die ook vertegenwoordigd is in de Tweede Kamer, waar de fractie van de PVV spreekt over „klimaatalarmisten” die „leugens verkopen” om de bevolking „angst aan te jagen”.

Deze tendens is niet van gisteren. Complottheorieën winnen al enige jaren aan populariteit, met name sinds de aanslagen op 11 september 2001. Zo verschenen er meerdere goed bekeken internetfilms, waarin werd gesuggereerd dat nine eleven door de regering-Bush was gepland, of bewust niet was voorkomen. Uit peilingen is gebleken dat bijna eenderde van de Amerikanen dat gelooft. Aan de andere kant verschenen er sinds 9/11ook talloze boeken waarin werd gesteld dat de islam, of de moslimgemeenschap, uit zou zijn op „wereldheerschappij” – een theorie die ook de PVV huldigt.

Hoe valt de opmars van dit complotdenken te verklaren? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten wat een complottheorie precies is. Wat onderscheidt haar van een gewone theorie? Aan welke voorwaarden moet een complot voldoen? In het boek Conspiracy Theories – The Philosophical Debate (2006), samengesteld door zes filosofen, wordt uitgegaan van de volgende criteria.

Ten eerste, zegt David Coady, is er in een complot – en dus in een complottheorie – noodzakelijkerwijs sprake van „een samenzwering”. Er zijn, met andere woorden, per definitie meerdere mensen bij betrokken. Die samenzwering vindt bovendien plaats in het geheim. Want, zegt Coady, „er bestaat niet zoiets als een openbaar complot”. Ten derde veronderstelt een complot altijd „kwaadwillende intenties”. Wanneer mensen in het geheim samenzweren zonder schade te beogen, wordt er niet gesproken van een complot.

Aan deze criteria is af te leiden dat een complottheorie niet per definitie onwaar of omstreden hoeft te zijn. Alle wetenschappelijk onderbouwde en algemeen geaccepteerde verklaringen voor bijvoorbeeld de aanslagen op New York, de afluisterpraktijken van Richard Nixon of de opkomst van het naziregime gaan ervan uit dat er sprake is geweest van een geheime samenzwering met kwade intenties. Het wáren echt complotten, zo laten de verklaringen zien.

Maar die verklaringen worden géén complottheorieën genoemd. Dat komt, zegt wetenschapsfilosoof Brian Keeley, omdat alleen van een complottheorie wordt gesproken wanneer deze „tegenover een algemeen geaccepteerde, officiële of voor de hand liggende verklaring wordt gesteld”. Anders gezegd: een complottheorie verklaart niet alleen een gebeurtenis of fenomeen, maar beoogt ook expliciet een andere ‘officiële’ verklaring te ontkrachten.

Cruciaal daarbij is volgens Keeley de vijfde eigenschap van een complottheorie, namelijk: „onverklaarde data”. Dat zijn gegevens die niet kunnen worden uitgelegd aan de hand van de algemeen geaccepteerde theorie – of er zelfs mee in tegenspraak zijn. Een goed voorbeeld is het feit dat volgens sommige metingen de temperatuur op aarde de afgelopen tien jaar is gedaald: hoe moet dat worden gerijmd met de theorie dat de aarde opwarmt?

Dit soort onverklaarde gegevens zijn niet eigen aan complottheorieën, zegt Keeley, want iedere theorie heeft ermee te maken. Geen enkele theorie verklaart immers alles. Maar karakteristiek voor complotdenkers is dat zij juist wél van een theorie eisen dat alles ermee wordt verklaard. Daarom beschouwen zij „het bestaan van onverklaarde data automatisch als een weerlegging van de theorie”, aldus Keeley. Of, simpeler gezegd: een complotdenker hanteert de drogreden dat een theorie die niet alles verklaart niet waar kan zijn.

Daarmee zij we aanbeland bij de reden waarom complottheorieën zo populair zijn. Dat komt namelijk door hun „alles verklarende reikwijdte”, zegt de filosoof Lee Basham. Complottheorieën pretenderen een totaalverklaring te geven van een fenomeen of gebeurtenis. Daarmee hebben ze altijd een streepje voor op ‘gewone’ theorieën, die per definitie vragen onbeantwoord laten.

Waarom stegen de aandelen van Amerikaanse vliegmaatschappijen op 10 september 2001? Waarom werd tijdens de crisis de ene bank wel en de andere bank niet gered? Complottheorieën geven zelfs op dit soort vragen een antwoord – en wekken zo de suggestie dat de officiële verklaringen ‘onvolledig’ en dus ‘onjuist’ zouden zijn.

De kracht van complottheorieën is echter ook hun zwakte, zegt Basham. Want een theorie die alles verklaart, valt niet te controleren of te weerleggen. Ieder bewijs dat de theorie weerspreekt, kan worden bestempeld als ‘onderdeel’ van het complot. Het unieke aan complottheorieën is dan ook dat ze, anders dan gewone theorieën, juist aan geloofwaardigheid winnen wanneer het aantal bewijzen ertegen toeneemt.

Dat geeft alleen maar aan, zeggen complotdenkers dan, hoezeer de samenzweerders ons om de tuin willen leiden. Dat zie je nu ook in de discussie over het klimaat: hoe meer bewijzen wetenschappers aandragen om klimaatverandering aan te tonen, des te achterdochtiger de complotdenkers worden. Ze spreken dan van „onheilsprofeten” of „alarmisten”.

De alles verklarende kracht moet overigens ook een reden zijn waarom complottheorieën juist nu zo in opkomst zijn. Het sluit immers perfect aan op de tijdsgeest. De wereld wordt complexer en de informatiestroom diffuser: over alles doen tegenstrijdige verhalen de ronde.

En omdat gezag niet meer vanzelfsprekend is, wordt dan al snel de vraag: wie moeten we geloven? Een theorie die alle tegenstrijdige visies reduceert tot één overtuigend complot, heeft dan grote overtuigingskracht en een heilzame werking: het geeft het gevoel dat je de wereld toch doorgronden kan.

De kloof tussen burgers en politiek speelt daarin ook een rol. Veel mensen koesteren tegenwoordig een diep wantrouwen jegens machthebbers en overheden. Daardoor klinken theorieën die schetsen hoe de wereld achter hun rug om zou worden bestuurd door een almachtige elite des te plausibeler. Complotten gedijen goed in tijden van achterdocht: tijdens de Koude Oorlog waren samenzweringsverhalen ook zeer populair.

En hoewel het verschil tussen een kritische houding en paranoia soms klein kan zijn, is enige achterdocht jegens overheden ook wel terecht, zegt Basham. In de 20ste eeuw hebben we immers een aantal grote staatscomplotten meegemaakt, zoals de regimes van Hitler en Stalin.

In de 21ste eeuw is er bovendien genoeg aanleiding tot speculatie. Zo is er gelogen over massavernietigingswapens in Irak om een oorlog te rechtvaardigen; heeft een kleine groep bankiers een wereldwijde economische crisis teweeggebracht en verzamelen overheden steeds meer privacygevoelige gegevens. Dan kan je, als staat, ook wel enig wantrouwen verwachten.

Maar andersom geldt ook: wie denkt dat dit allemaal te verklaren is met één alomvattende complottheorie, verdient het evenzeer om gewantrouwd te worden.