Volkoren helpt tegen diabetes

Zeker 800.000 Nederlanders hebben diabetes type 2, die vroeger vooral ouderen trof.

Volkoren voedsel verkleint de kans op de ziekte. Waarom is nog niet helemaal duidelijk.

Het geregeld gebruik van volkorenproducten en graanvezels vermindert de kans op diabetes type 2 met ongeveer eenderde. Dat blijkt uit een bundeling van bestaand onderzoek, waarop voedingsdeskundige Marion Priebe afgelopen week is gepromoveerd.

Tijdens haar promotieonderzoek ontdekte Priebe dat het vetzuur boterzuur in volkorenproducten de gevoeligheid voor deze variant van diabetes, die op latere leeftijd op kan treden, mogelijk vermindert. Op een symposium dat ter gelegenheid van Priebes promotie werd gehouden, bleek dat ook andere factoren een rol kunnen spelen.

Diabetes 2 ontstaat heel geleidelijk. Hij onderscheidt zich van type 1 doordat de bètacellen van de alvleesklier wel insuline produceren, maar het lichaam er steeds minder gevoelig voor wordt. Er ontstaat insulineresistentie. Glucose wordt dan slechter door de organen opgenomen en het gehalte ervan in het bloed neemt toe. Dat kan op den duur leiden tot problemen met hart en vaten, zenuwen, nieren en ogen.

Overgewicht is een belangrijke oorzaak van diabetes 2 en dan vooral de ophoping van vetweefsel in de buikholte. Enkele jaren geleden is aangetoond dat die gepaard gaat met milde chronische ontstekingen van het vetweefsel. Daarbij komen ontstekingsfactoren en zuurstofradicalen vrij die als de belangrijkste oorzaak van de dalende insulinegevoeligheid gelden.

Vroeger werd type 2 ouderdomsdiabetes genoemd, omdat hij meestal op latere leeftijd toesloeg. Tegenwoordig treft hij mensen van alle leeftijden, zelfs kinderen. In ons land gaat het naar schatting om 800.000 personen. Omdat de ziekte een lange aanlooptijd kent, zullen er nog veel meer mensen zijn met een voorstadium van de ziekte. Vanuit een oogpunt van preventie is dit een belangrijke groep. Ze hebben nog geen klachten, maar zullen die wel krijgen als ze hun leefstijl niet veranderen.

Volkorenproducten kunnen dan helpen, maar wellicht ook voedingsadditieven die hetzelfde doen, meent Priebe. Onduidelijk is echter of je het dan in de vitaminen, de vezels, specifieke plantaardige stoffen of een combinatie hiervan moet zoeken.

Priebe zelf onderzocht de invloed van zogeheten korteketenvetzuren en dan vooral boterzuur. Deze vetzuren ontstaan als onverteerbare koolhydraten in de zemelen door bacteriën in de dikke darm worden gefermenteerd. Ze ondersteunen de werking van de dikke darm en dragen onder meer bij aan een vlotte stoelgang. Boterzuur werkt in de dikke darm daarnaast ook als ontstekingsremmer. Vetweefsel is er echter ook gevoelig voor, getuige de aanwezigheid van specifieke receptoreiwitten op de vetcellen.

Eén van Priebes experimenten bevestigt een mogelijke rol van boterzuur. Zij liet gezonde vrijwilligers ’s avonds witbrood of volkoren gerstepap eten. De volgende ochtend kregen ze een glucoseoplossing te drinken.

Na enkele uren bleek dat alle proefpersonen evenveel insuline in hun bloed hadden, maar ook dat het glucosegehalte bij de deelnemers die de pap hadden gegeten veel lager was. Blijkbaar waren zij veel gevoeliger voor insuline dan de andere deelnemers. Ook hadden zij significant minder ontstekingsfactoren in hun bloed en meer boterzuur.

Op een symposium ter ere van Priebes promotie kwam de rol van allerlei secundaire plantenstoffen in de vezels en kiemen naar voren. Vitamine E en ferulinezuur bijvoorbeeld. Deze anti-oxidanten schakelen de zuurstofradicalen uit en dragen zo ook bij aan een vermindering van de insulineresistentie. Welke van deze effecten de meeste invloed heeft, is vooralsnog onduidelijk.