Prognose onbekend

Zodra het weer in Nederland een beetje onstuimig wordt en het openbaar vervoer in het ongerede raakt, wordt op het hoofdkantoor van de Nederlandse Spoorwegen (NS) de schuldvraag opgeworpen. Dat er treinen uitvallen is niet te wijten aan de NS, is de boodschap die de spindoctors van het bedrijf dan rondstrooien. De gestrande burgers moeten bij ProRail zijn, staatsvennootschap die de infrastructuur van het spoorwegnet in beheer heeft. Alleen voor de perrons en stations plus de treinen zelf is de NS aanspreekbaar.

Het is een treurigmakende zelfrechtvaardiging. Formeel klopt het. Sinds de verzelfstandiging medio jaren negentig ligt de schuld voor alle gebreken tussen de rails bij ProRail. De vijfkoppige directie van ProRail beslist of er geïnvesteerd dan wel gedesinvesteerd wordt in techniek en mensen.

Donderdag bleek hoe die wijsheid uitpakt. Na een lichte sneeuwbui stagneerde het treinverkeer. Dat het raderwerk zondag nagenoeg tot stilstand kwam, kon geen verrassing meer zijn. Elke machinist of conducteur had dat kunnen voorspellen. Dit personeel weet al jaren dat de prioriteiten van NS en ProRail ertoe leiden dat er onvoldoende mensen achter de hand worden gehouden om wissels handmatig te ontdooien, de perrons te vegen en het publiek ter plaatse te woord te staan. Het kan keurig uitleggen waarom de chaos exponentieel toeneemt als ergens een wissel vastzit. Treinen kunnen elkaar dan niet inhalen en komen in een file te staan.

ProRail en NS beperken zich tot teksten als „prognose onbekend” en „excuses voor het ongemak” . Deze vorm van communicatie kan wat worden verbeterd, zei een woordvoerder van het spoor vanochtend op de radio. Een klassiek voorbeeld van „krommunicatie”, zoals het duo Van Kooten en De Bie reeds decennia geleden heeft vastgesteld.

In de Tweede Kamer heeft het CDA een investeringsplan geëist. Volgens de PvdA is de directie van ProRail niet op haar taken berekend. De SP eist dat de twee bedrijven samengevoegd worden. Als het leed is geleden, zal het publiek er weinig meer van horen. Toch moet het debat worden gevoerd.

Afgelopen dagen is aan het licht gekomen dat de wanorde op het spoor niet op zichzelf staat. Veel meer semipublieke bedrijven blijken niet te kunnen omgaan met het weer. In Den Haag reden geen trams. Her en der lieten Connexxion en andere transportbedrijven hun bussen binnen. Ook de schuivers en strooiers van Rijkswaterstaat kwamen pas laat de weg op. Een groot deel van het publieke domein blijkt niet opgewassen tegen incidentele overlast.

Die conclusie is niet alleen irritant voor de burger die op weg is naar zijn werk, maar ondergraaft ook het primaat van de politiek. Eind vorige eeuw heeft de wetgever een aantal publieke taken op afstand gezet en uitgeplaatst, in de hoop dat ze doelmatiger zouden worden uitgevoerd. De onderlinge verantwoordelijkheden zijn daardoor hybride geworden.

Als er problemen zijn, verschuilen de managers zich daar nu achter. Maar spindoctors of communicatiestrategieën zijn zinloos. De burger laat zich niet in de luren leggen.