Oorlog Afghanistan kansloos zonder schone overheid

Meer internationale militairen naar Afghanistan sturen heeft alleen zin als aan de rechteloosheid van burgers een einde komt, te beginnen op lokaal niveau.

De situatie in Afghanistan verslechtert niet in de eerste plaats doordat de Talibaan oprukken, maar doordat er niet systematisch gewerkt wordt aan de opbouw van de staat. En het dreigement dat de Amerikanen inzetten om de financiële steun aan corrupte ministeries te staken zal de staatsopbouw niet verbeteren. Dat zegt Lorenzo Delesgues, oprichter en directeur van Integrity Watch Afghanistan, een niet-gouvernementele organisatie die corruptie in Afghanistan onderzoekt.

„Je kunt niet het ene ministerie wel financieren en het andere niet. Met de asymmetrie die zo ontstaat kun je geen staat opbouwen”, zegt hij tijdens een vraaggesprek in Kabul. Ondanks zijn vele reserves is hij voorzichtig optimistisch over de druk die westerse regeringen op president Karzai zetten om met zijn nieuwe kabinet de corruptie die door het hele overheidsapparaat gesijpeld is aan te pakken. „De internationale gemeenschap wordt wakker en is na het aantreden van president Obama voor het eerst echt aandacht aan dit onderwerp gaan besteden.”

Laat het een les zijn voor toekomstige oorlogen, zegt de Italiaans-Franse Delesgues, die pas 31 is maar sinds zijn achttiende door Afghanistan en Pakistan reist en de landen beter kent dan menig diplomaat. Hij is de enige buitenlander bij Integrity Watch Afghanistan. „Corruptie is een van de eerste problemen waar je iets aan moet doen na een interventie. Anders komt het je duur te staan, zowel in economisch als sociaal opzicht.”

Een voorbeeld: „Afghanen kunnen niet vertrouwen op hun rechtssysteem. Het ministerie van Justitie is een van de meest corrupte in het land. Als de Talibaan een gebied innemen is een van de eerste dingen die ze doen een paar criminelen vermoorden. Naar de bevolking geeft dat het signaal dat ze een einde maken aan de straffeloosheid en zich inzetten voor de gemeenschap. Dat maakt een enorme indruk. De internationale gemeenschap maakt die indruk niet. Dat Obama meer militairen stuurt is een goede zaak, maar als zij vooruitgang boeken kan die niet worden behouden zonder een schone, als legitiem beschouwde overheid.”

Karzai heeft wel begrepen dat hij zijn zaken op orde moet brengen, denkt Delesgues, „maar hij heeft tijdens zijn verkiezingscampagne teveel toezeggingen aan corrupte adviseurs en krijgsheren gedaan om hen nu te corrigeren. [De Oezbeekse krijgsheer] Dostum en [de Tadzjiekse krijgsheer en vicepresident] Fahim kunnen meer strijders mobiliseren dan Amerika militairen.”

Dat een kolonel uit Kandahar vorige maand twintig jaar cel kreeg wegens drugshandel en corruptie, maakt weinig indruk op Delesgues. „Laten we afwachten of hij over twee jaar nog in de gevangenis zit. Corruptie bestrijd je niet met anti-corruptiecommissies. Een veroordeling als deze is niet meer dan een jokerkaart die je kunt trekken.”

Veelzeggend is ook de verdediging door Karzai van burgemeester Sayebi van Kabul, die twee weken geleden tot vier jaar cel is veroordeeld. Vorige week noemde Karzai hem „een goede man” die „schoon” was, notabene op een conferentie over corruptie waartoe de president zelf het initiatief had genomen.

Hoe het dan wel moet? „In het hele overheidssysteem moet de afrekenbaarheid verbeterd worden.” Met praktisch onderzoek naar overheidsdiensten probeert Integrity Watch daar aan bij te dragen. „We vragen bijvoorbeeld aan mensen die een paspoort hebben aangevraagd of een winkel hebben geregistreerd wat voor hindernissen ze tegenkwamen.” Met de resultaten stapt Delesgues naar het verantwoordelijke ministerie, of rechtstreeks naar de internationale donor.

Hij adviseert hen om ten minste actie te ondernemen tegen de corruptie die gewone mensen treft, en die bij hen onvrede veroorzaakt. Die vindt vooral plaats op het provincieniveau.

Donoren hebben ook veel aan zichzelf te verbeteren, vindt Delesgues. Bij hen gaat het niet direct om corruptie, maar om „een gebrek aan integriteit”, waardoor geld – soms bewust – wordt verspild. Hij noemt onder andere de Amerikaanse ontwikkelingsdienst USAID. „Zij kunnen zelf niet genoeg projecten uitvoeren om hun geld te besteden en zetten het weg via andere organisaties die op hun beurt ook weer anderen inhuren. Elke schijf kost al snel 15 procent van het oorspronkelijke bedrag, en bij elke schijf wordt het zicht op het geld slechter.”

Van het ‘verloren’ geld verlaat bovendien een flink deel het land via de hoge salarissen voor internationaal personeel en goederen die belastingvrij worden ingevoerd. „Die onderaanbestedingen zijn legaal, maar het gaat wel om een opzettelijk verlies van geld.”