Land van radeloze kinderen

Haïti verkeert al decennia in een uitzichtloze cyclus van honger, corruptie en geweld.

Na de orkanen is het nog erger. „Mensen eten koekjes van modder tegen de honger.”

Op slechts anderhalf uur vliegen van Miami ligt het armste land van het westelijk halfrond: Haïti. Hoewel het op hetzelfde eiland ligt als de Dominicaanse Republiek, waar de witte stranden drommen toeristen trekken, verkeert Haïti al decennia in een uitzichtloze cyclus van honger, corruptie en geweld. Tachtig procent van de bevolking moet rondkomen van 2 dollar per dag. Wekelijks eindigen de lichaampjes van 150 kinderen op de vuilnisbelt omdat er geen hout is om doodskisten te maken.

De gemiddelde leeftijd op Haïti is zestien. „Haïti is een land van kinderen”, vertelt Rick Frechette, een Amerikaanse dokter en priester die er al 22 jaar werkt. „Kinderen die nooit een bloem hebben gezien. Die niets anders kennen dan chaos, geweld, corruptie en overstromingen. Juist omdat deze generatie niets anders kent, wordt de situatie nooit beter.”

In 1987 kwam Frechette als priester naar Haïti, maar hij realiseerde zich al snel dat de bevolking meer behoefte had aan een dokter. Dus ging hij medicijnen studeren in New York. Inmiddels heeft hij niet alleen een weeshuis opgericht in samenwerking met Stichting WereldOuders, maar ook een kinderziekenhuis met speciale zorg voor gehandicapten, waar jaarlijks 50.000 mensen worden geholpen. Frechette was onlangs op bezoek in Nederland.

Twintig jaar lang zag Frechette geen enkele vooruitgang op Haïti. „Het land kent absolute armoede. Politie en justitie zijn door drugsdealers compleet van corruptie doordrongen. Ontvoeringen van buitenlanders waren voor veel mensen de enige bron van inkomsten, maar daardoor werd het op straat onveilig. Politici zijn toen wapens uit gaan delen en dat heeft alles nog erger gemaakt. Een pistool in handen van een hongerige 18-jarige is anders dan in handen van een agent.”

Hulporganisaties verminderden de laatste jaren de voedselhulp aan Haïti, hoewel de honger er niet minder om werd. Frechette: „Er kwam maar geen verbetering, geen oplossing, en voedselhulp werd te duur. Mensen werden moe van Haïti. Weer een coup, weer een overstroming.”

Twee jaar geleden begonnen de Verenigde Naties echter een groot offensief tegen de ontvoeringen van buitenlanders op het eiland. „Voor het eerst in twintig jaar heerste er relatieve vrede”, vertelt Frechette. „Ik zeg relatief, want vorige week werd er nog een Italiaanse journalist vermoord, maar er leek een eerlijke kans op ontwikkeling te komen. Eindelijk konden mensen zich focussen op de structurele problemen, in plaats van zich dagelijks af te vragen of ze die avond levend thuis zouden komen.”

Maar toen kwam Fay. En toen Gustav. En Hanna. En ten slotte Ike. Vier orkanen teisterden Haïti in 2008, en maakten een miljoen mensen dakloos. Onder hen 300.000 kinderen. De infrastructuur is compleet verwoest – er zijn geen verharde wegen meer en de overheid heeft geen middelen om te herbouwen.

Bovenop het natuurgeweld kwam de kredietcrisis. Met een bruto nationaal product dat voor 66 procent afkomstig is uit het buitenland, werd Haïti keihard getroffen. Voedselprijzen stegen met 300 procent en de honger nam weer toe. Frechette: „Mensen eten nu ‘koekjes’ van modder om hun lege magen te vullen.”

Al met al noemt Frechette, met gevoel voor understatement, de orkanen en de crisis een kwestie van ‘bad timing’. Hij heeft zijn hoop gevestigd op de Amerikaanse oud-president Bill Clinton, die zich inzet om buitenlandse bedrijven en industriëlen aan te trekken om in Haïti te investeren.

Werkloosheid is volgens Frechette nu het grootste probleem. „Ondervoeding en honger zijn grote kwesties, maar die worden veroorzaakt doordat 90 procent van de bevolking geen baan heeft.” Frechette ziet de oplossing in microkrediet en scholing. Zo krijgen ruim 7.000 kinderen in de sloppenwijken onderwijs vanuit een school op wielen: een busje vol schoolspullen en zelfs computers. Want zonder computervaardigheden ben je volgens Frechette tegenwoordig „nog steeds een analfabeet”.

Om het probleem van de lijken op de vuilnisbelt aan te pakken, zette Frechette een begrafenisproject op, waarbij hij jongeren inhuurt om van papier-maché grafkisten te maken. Vijfhonderd mensen per week krijgen zo een menswaardige begrafenis en de jongeren hebben een baan.

„Ik denk dat microkrediet in de vorm van geld niet werkt”, stelt Frechette. In plaats daarvan geeft hij jongeren, die hij heeft opgevoed in zijn weeshuis, een autobusje. Daarmee kunnen ze geld verdienen, want er is geen openbaar vervoer op het eiland. „Dat busje kost dan wel 20.000 dollar, maar dat geef ik ze als rentevrije lening. Ze betalen me af door diensten aan de missie te verlenen.” Bijvoorbeeld door vanuit het busje films te vertonen voor de kinderen in de sloppenwijken. „Als ze er ook popcorn bij leveren betalen ze hun lening extra snel af”, zegt hij lachend.

Op kleine schaal heeft Frechette heel wat klaargespeeld, maar hij ziet ook dat het grote plaatje na al die jaren onveranderd is. „Het enige wat het land uit deze tragiek kan halen is toerisme”, zegt hij. „Haïti is prachtig, maar voor je op het mooie strand bent, heb je al zo veel bedelende, stervende mensen gezien dat je geen trek meer hebt in een cocktail. Toeristen kunnen zich hier niet vermaken zonder zich schuldig te voelen. Toch hebben we hun geld nodig om banen te creëren. Reisbureaus zouden kunnen benadrukken hoe toeristen het land kunnen helpen door wel die cocktail op ons strand te komen drinken.”

Rapper Wyclef Jean komt uit Haïti. Bekijk beelden van het land op zijn website: yele.org

    • Maite Vermeulen