Fatale probioticastudie was slecht opgezet

Bij onderzoek naar gezond geachte, maar dodelijk gebleken bacteriën zijn grote fouten gemaakt. Dat zegt hoofdinspecteur Josee Hansen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

Europa, Nederland, Amsterdam, 06-02-2008 Biotechnologiebedrijf Winclove, dat de probiotica heeft geleverd voor het mislukte onderzoek van het UMCU. De productieruimte van het bedrijf. Het product wordt rechtstreeks uit de mengmolen ingepakt.. Probiotica is een verzamelnaam voor voedingssuplementen die allemaal hun specifieke eigenschappen hebben.Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Er was veel mis met de Utrechtse probioticastudie, concludeerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) afgelopen donderdag. Opzet, toetsing en uitvoering van de studie ‘schoten op belangrijke punten tekort’. Of daardoor deelnemers zijn gestorven, daarover spreekt de Inspectie zich niet uit – dat onderzocht zij niet. „Dat is strafrecht, en dat was niet de insteek van het onderzoek”, aldus hoofdinspecteur Josee Hansen. De veiligheid van de patiënten was in ieder geval in het geding. ‘Niet voldoende geborgd’, heet het.

De bedoeling van het zogeheten Propatria-onderzoek, tussen 2004 en 2007, was om ernstig zieke patiënten te helpen met een bacteriepreparaat. Maar door de toediening van dat preparaat stierven juist meer deelnemers: er vielen 24 doden in de groep die de bacteriën kreeg, en 9 in de placebogroep.

De onderzoekers van het Universitair Medisch Centrum Utrecht vertelden begin 2008 dat ze ‘verbijsterd’ waren door het resultaat. Maar de Inspectie, de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek en de Voedsel- en Waren Autoriteit schetsen nu een beeld waarbij veel betrokkenen op cruciale momenten nalieten om kritisch naar de Propatria-studie te kijken. Met name geldt dat voor de onderzoekers, maar ook voor het (eindverantwoordelijke) bestuur van het UMC Utrecht, voor de medisch-ethische toetsingscommissie die de opzet van de studie beoordeelde, en voor een commissie die een vinger aan de pols moest houden.

Aan de probioticastudie, door de onderzoekers Propatria gedoopt, deden vijftien Nederlandse ziekenhuizen mee. Onder leiding van hoogleraar chirurgie Hein Gooszen dienden ze aan 152 ernstig zieke patiënten – ze hadden een acute alvleesklierontsteking – een preparaat toe met ‘probiotische’ (gezond geachte) bacteriën. De patiënten kregen die bacteriën via een sonde in de dunne darm. 144 andere deelnemers kregen een placebo.

In de geschiedenis van de IGZ is een patiëntenonderzoek zelden zo binnenstebuiten gekeerd. Het onderzoek van de Inspectie duurde meer dan 1,5 jaar, en dan vallen zaken op die bij de meeste geneesmiddelenstudies met patiënten (600 per jaar, in Nederland) ongezien blijven. ‘De knelpunten (...) kunnen zich ook voordoen bij ander medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen’, waarschuwt het rapport. Hoofdinspecteur Josee Hansen, eindverantwoordelijk voor het rapport, licht toe.

Hoe uitzonderlijk is het dat er zo veel fout gaat bij een studie?

„Ik kan niet generaliseren. Bijna altijd werkt de Inspectie bij dit soort onderzoek op basis van meldingen, en dat is al een teken dat er iets mis is. Maar dit soort problemen komen vaker voor bij een investigator initiated trial: een patiëntstudie die door universitaire onderzoekers wordt opgezet. Bij studies door de farmaceutische industrie zijn de opzet en de uitvoering beter geregeld. Je moet een systeem hebben om bijwerkingen te melden, om uitkomsten te evalueren. En daar schort het aan. Want academisch onderzoekers beschouwen dat als bureaucratisch.”

„De NFU [de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra] heeft daarom ook al een paar jaar een cursus voor klinisch onderzoekers. Want het feit dat iemand een uitstekend arts is, en hoogleraar Gooszen is een alom gewaardeerd chirurg, wil niet zeggen dat je alle nodige zorgvuldigheid bij de uitvoering en verslaglegging van onderzoek betracht.”

De onderzoekers leken te denken dat het niet fout kón gaan. Was er sprake van tunnelvisie?

„In principe is er bij elke studie een systeem van checks and balances. Een medisch-ethische toetsingscommissie moet elk medisch onderzoek goedkeuren. Zo’n METC is een onafhankelijk orgaan. Maar in de praktijk staat een METC [die bijna altijd aan een ziekenhuis verbonden is] heel dicht bij onderzoekers, en bij de raad van bestuur van een ziekenhuis. De METC had hier moeten zien dat de patiënteninformatie anders was dan het protocol. Men heeft zich erg laten leiden door het enthousiasme van de onderzoekers.”

Realiseert een bestuur zich voldoende dat het eindverantwoordelijk is voor studies die onderzoekers in het ziekenhuis zelf opzetten?

„Ik denk niet dat ze de hele reikwijdte overzien. En een ziekenhuisbestuur heeft ook wel wat anders aan zijn hoofd. Daarom moeten die besturen die controle organiseren, bijvoorbeeld door er een onderzoeksbureau op te zetten.”

Kan een patiënt nog wel veilig meedoen aan een medische studie?

„Ja, de patiënt moet en kan vertrouwen hebben in zijn artsen. Dat zijn toegewijde artsen, en dat is de basis. Als we dat niet zouden vinden, hadden we een ander rapport geschreven. Een patiënt mag wel kritisch zijn en vragen: zijn er écht geen bijwerkingen? Maar ik snap ook wel dat die, als hij ziek is, niet zo alert is.”

En dan moet hij er maar vanuit gaan dat de waarheid gesproken wordt?

„Ja, daar moet hij vanuit kunnen gaan. Dat patiënten verkeerd zijn geïnformeerd, dat kan dus echt niet.”

    • Hester van Santen